Deze alleen-tekst versie is gebaseerd op dit document, waarbij alle opmaak, inhoudsopgaves, indices, tabellen, en voetnoten verwijderd zijn. Bij deze conversie kunnen fouten ontstaan zijn, controleer altijd het programma zoals gepubliceerd door de partij.

‘Dit is niet het land wat ik voor mijn kinderen wil achterlaten’

Verkiezingsprogramma van Lijst 5 Fortuyn

30 september 2006

A. Onze visie

De aankomende verkiezingen zullen gaan tussen bestaande en nieuwe politieke bewegingen. Tussen oude ideologieën en praktisch realisme. Een keuze tussen behoud van macht versus de vooruitgang van Nederland.

Onze partij zal aan de verkiezingen van 22 november a.s. meedoen als Li jst 5 Fortuyn om te benadrukken dat zij haar inspiratie vindt in het werk van Pim Fortuyn. Na zijn dood in 2002 is door velen binnen en buiten de partij hard gewerkt aan de demontage van zijn politieke beweging.

Dankzij een aantal moedige en capabele personen is er op dit moment een stabiele vereniging en een Tweede Kamerfractie. Er zijn veel grote fouten gemaakt. Laten we duidelijk zijn: Lijst 5 Fortuyn (LPF) heeft het verknald in het verleden.

Wijzen naar anderen is niet netjes, zonder de hand in eigen boezem te steken. De partij is weer terug bij af, omdat we zijn tekort geschoten. We hebben niet de bezweringsformule weten te vinden tegen de vloek van de mannetjesmakers en opiniepeilers, die populaire politici het hoofd op hol brengt. Het verlangen naar een nieuwe Pim Fortuyn dat door Maurice de Hond wordt gesignaleerd, is even begrijpelijk als het verlangen naar een herhaling van het EK voetbal 1988. Wie denkt dat de klok gewoon kan worden teruggezet naar 6 mei 2002, denkt als de generaals die de vorige oorlog naspelen, of als de sportjournalisten die nog steeds het Nederlands elftal willen laten spelen als in 1988.

Maar fouten maken is op zich niet erg. Het hoort bij het leven en al helemaal bij het intensieve gebeurtenissen die onze partij heeft doorgemaakt. Twee zaken zijn van belang: de fouten erkennen en ervan leren. Erkennen van eigen fouten zou voor alle politici een normale zaak moeten zijn.

Inmiddels een fase verder, bouwen we aan een nieuw team met positieve spirit die een politieke koers kiest die sterk gericht is op het oorspronkelijke werk van Fortuyn.

De Miljoenennota voor 2007 ziet er weliswaar een stuk beter uit dan we de afgelopen jaren gewend waren. Het kabinet is er trots op dat het zo goed gaat in Nederland, terwijl het grotendeels te danken valt aan conjuncturele factoren als de aantrekkende wereldeconomie en de hogere aardgasopbrengsten. Dezelfde opgewektheid zagen we in 2001 toen het kabinet Kok II triomfantelijk uitriep dat het nog nooit zo goed was gegaan in Nederland. Terwijl burgers die klaagden - en achter Pim Fortuyn aanliepen - werden afgeschilderd als ontevreden zeurpieten waren. Ook nu mag de euforie over de oplevende economie - koploper in Europa - ons niet blind maken voor dieperliggende maatschappelijke problemen. De ontkenning van het maatschappelijk ongenoegen gebeurt weliswaar behoedzamer en subtieler dan in 2001-2002, maar dat betekent nog niet de mensen integratiemoe zouden zijn. Evengoed kun je de stelling verdedigen dat veel Nederlanders moedeloos zijn over het gebrek aan vooruitgang op andere terreinen dan de economie.

Er is nog steeds behoefte aan een benadering van de grote problemen van onze maatschappij die Pim Fortuyn in ons land introduceerde. Maar welke Pim Fortuyn leeft er in de harten van de mensen? Een rechtse charismatische populist die hamerde op de thema’s veiligheid en vreemdelingenbeleid, zoals zijn invloedrijke tegenstanders ons weer willen doen geloven? Of een inspirerende leider die de burger weer richting en hoop gaf? Een authentieke persoonlijkheid, niet het product van een mediahype, maar volledig zichzelf.

Fortuyn staat in een lange Nederlandse traditie die terug gaat tot Joan Derk van der Capellen tot den Pol. Hij liet zich inspireren door diens pamflet ‘Aan het volk van Nederland’, dat nu op een wandtapijt naast de troon in de Ridderzaal hangt. De maatschappijkritiek van Pim Fortuyn is vooral gericht op de aanpak van de regentenklasse in Nederland, het concreet benoemen van de problemen van mensen en hun oorzaken die door daadkrachtig optreden moeten worden opgelost.

Wie Fortuyn reduceert tot een rechts populist doet hem niet alleen onrecht, maar wakkert ook de mediahype aan van zogenaamd charismatische politici. De personendemocratie lijkt uit te draaien op een Idols-finale. De jacht op charismatische personen is een dwaalspoor dat is uitgezet door journalisten en politicologen die willen dat het spel volgens hun regels wordt gespeeld. Het is leuk om over personen te schrijven, de parlementaire journalistiek vertoont ook steeds meer trekjes van sportverslaggeving waarbij meer sprake is van meningen dan van feiten. Maar de jacht op een charismatische lijsttrekker is niet alleen leuk voor de media, hij speelt ook de gevestigde partijen in de kaart die immers over een veel groter potentieel aan geschikte personen beschikken. Persoonlijke conflicten komen ook bij gevestigde partijen voor, maar niemand twijfelt daardoor aan de continuïteit van deze partijen, omdat ze niet afhankelijk zijn van één populaire politicus maar van door veel meer personen gedragen politiek programma. De leden dragen de lijsttrekker en niet andersom. Het is een misvatting dat je politiek kunt bedrijven zonder partijorganisatie. Daarom heeft de partij gekozen voor een nieuwe aanpak. Er bestaat geen DKTP-prik tegen politieke kinderziekten. Het heeft ook geen zin om te denken dat je die weer met een nieuwe partij niet meer zult doormaken.

Anno 2006 kent Nederland nog veel onopgeloste problemen. Een voorbeeld. Decennialang zijn grote groepen van buiten met een volledig andere cultuur zonder goed integratieplan naar Nederland gehaald. Vervolgens is de integratie volledig mislukt. Onder toezicht en met goedkeuring van de grote politieke partijen. Zou het niet van grootheid getuigen als de huidige politieke leiders van deze partijen zouden toegeven dat dit beter en anders had gekund? Dat ze het op dit punt eigenlijk flink verknald hebben? Drie andere voorbeelden van nog niet-opgeloste problemen kunnen dit illustreren. De bureaucratie, de verkeerscongestie en de subsidiegekte.

De aanpak van bureaucratie: minder ambtenaren, minder regeltjes

Ambtelijke molens malen langzaam, om niet te zeggen stroperig. "Nee, dan moet u bij het andere loket zijn": wie hoort dit nu niet? De overheid verplicht ons tot allerlei zaken, waarbij wij van diezelfde overheid afhankelijk zijn. Maar die dan weer niet echt lijkt mee te willen werken. Een paspoort of rijbewijs halen kan alleen op tijden dat het de gemeentelijke overheid schikt. Absurd in een tijd van 24-uurseconomie en informatietechnologie! In de collectieve sector schijnt servicegericht werken erg moeilijk te zijn. En we kunnen niet, net als bij de supermarkt, uit ontevredenheid naar de concurrent gaan. Die is er immers niet! De politiek zou ervoor moeten zorgen dat de collectieve sector klantgerichter wordt. Een apart loket voor ieder wissewasje is overbodig. Vereenvoudiging of simpelweg schrappen van procedures en regels, maakt veel ambtenaren overbodig. Dat de overheid zich de grootste werkgever in ons landkan noemen is niet iets om trots op te zijn. Niet de burgers, maar de overheid zélf lijdt aan overgewicht! Hier is de menselijke maat volledig zoek. Door directer en met meer oog voor de menselijke maat te werken, kan veel doelmatig worden gewerkt. Kortom: wij willen waar voor ons belastinggeld dat deze gigantische collectieve sector op de been houdt!

Het grote probleem bij de overheid is de verkokering, waardoor departementen opereren als zelfstandige koninkrijkjes met ieder hun territoriumdrift. Ontschotting is dringend nodig. Projectministers zouden daarvoor kunnen zorgen. Een minister van Jeugdzaken zou de eerste kunnen zijn in een rij van projectministers die gericht een probleem aanpakken en weer kunnen verdwijnen als de zaken op de rails zijn gezet. Wij kunnen ons ook een minister voor Ouderenbeleid voorstellen, of voor Ondernemerszaken. Projectstaatssecretarissen zouden ook kunnen, maar die moeten dan rechtstreeks kunnen rapporteren aan een minister-president met meer bevoegdheden.

Ergerlijk is dat het midden- en kleinbedrijf nog steeds gaat gebukt onder een waar oerwoud aan tegenstrijdige, beknellende en betuttelende overheidsregels. Vele mensjaren van ambtenaren en commissies zijn hieraan verspild zonder noemenswaardig resultaat, tenzij men het bedenken van nog meer regels, onder meer om verouderde regels af te schaffen als zodanig wenst te beschouwen

Verkeerscongestie: autootje pesten zonder betere infrastructuur en verlaging van lasten

Het probleem van dichtgeslibde wegen in Nederland gedurende de spitsuren zal waarschijnlijk nooit helemaal op te lossen zijn. Nederland heeft meer weg van een stadstaat, met al zijn makkes, waaronder de files, van dien. Het zou verstandig zijn dit te betrekken op de totale infrastructuur. Extra asfalt zal de last wel enigszins verlichten, maar we zullen anders tegen mobiliteit aan moeten gaan kijken. De trechtervorming van steden (waardoor al het verkeer op plekken bij de steden ophoopt) moet worden tegengegaan. De overheid kan daarbij het goede voorbeeld stellen: laat ambtenaren zo dicht mogelijk bij huis werken. ICT stelt ons voldoende in staat om dit te doen, we hoeven niet dagelijks een eind met de auto te rijden voor werk. Verder moeten onnodige hindernissen worden weggenomen. Stoplichten op elkaar afstellen moet een fluitje van een cent zijn. Wanneer dit niet gebeurt, kunnen we het ook gewoon zien als onwil van de (plaatselijke) overheid. Het wegennet dient beter aan elkaar te worden geknoopt. De autorijder is er ook niet om de staatskas te spekken. Overbodige kolderieke maatregelen om zogenaamd de verkeersveiligheid te handhaven of het milieu te beschermen dienen naar de prullenbak te worden verwezen.

Bescherming van milieu is een groot goed, maar hoeft niet door te slaan in pesterij. Immers, een beter milieu begint bij jezelf en hoeft niet van bovenaf opgelegd te worden. Keuzes moeten per slot van rekening worden gemaakt, en-en bestaat alleen in de utopische wereld van de inmiddels achterhaalde ideologie van het collectivisme.

Wanneer stoppen we eens eindelijk met het autootje pesten en worden wegen en spitsstroken aangelegd? Hoe kun je spreken over opschieten als de procedures voor de aanleg van een rijksweg 19 jaar duren. Wanneer komt de beloofde evaluatie van de 80-km zones, die voornamelijk filebevorderend en dus luchtvervuilend zijn?

Nederland subsidieland

De Nederlandse belastingbetalers betalen vele miljarden per jaar aan het in stand houden van allerhande groeperingen en initiatieven. In Nederland Subsidieland steunt elke belastingbetaler, vaak zonder dit te beseffen, doelen waar hijzelf niet achter kan staan of initiatieven die strijdig zijn met de eigen belangen. De overheid legt een groot gemak aan de dag bij het uitdelen van deze subsidies. Gebrek aan controle, transparantie en evaluatie maakt het ook nog eens een fraudegevoelige aangelegenheid. Hiermee zijn, verdeeld over vele overheidsorganen, grote sommen geld gemoeid. Het zou beter zijn als voor initiatieven uit de samenleving steun gezocht zou worden bij sympathisanten en medestanders in plaats van de hand op te houden bij de belastingbetaler. Subsidies die al zijn uitgekeerd dienen aan banden te worden gelegd. Wij willen een kleinere overheid die initiatieven overlaat aan de burger en zich beperkt tot haar kerntaken. Iets waarover geen eenstemmigheid bestaat bij de politieke partijen. Onze partij wil hierbij de ervaring van burgers centraal stellen.

Zelden of nooit wordt de vraag gesteld naar de wenselijkheid van overheidsoptreden. Maar al te vaak blijken overheidsmaatregelen door de onvoorspelbaarheid van de effecten op het menselijk handelen en het gebrekkige toezicht op de naleving ervan op hun beurt nieuwe maatschappelijke problemen te veroorzaken, waardoor opnieuw een vraag naar regelgevend optreden ontstaat. Er moet een eind komen aan de neiging steeds weer nieuw beleid te ontwikkelen zonder het oude beleid aan een kritische inspectie te ontwerpen.

Maar al te vaak wordt voor de oplossing van belangrijke maatschappelijke problemen, bijvoorbeeld wat betreft het milieugebied, de veiligheid en leefbaarheid, het sociaal-economisch beleid en vele andere domeinen, geroepen om tussenkomst van de overheid. Maar, zelden of nooit vraagt men zich af of overheidsoptreden wenselijk is.

Wij voeren een pleidooi voor gezond verstand in de politiek. Dat de overheid altijd wat zij zelf doet beter zou doen dan anderen, gaat dikwijls niet op. Het kan vaak, maar niet altijd, doeltreffender en efficiënter door anderen worden gedaan. Zo kan de nodige budgettaire ruimte worden gevonden om de grote uitdagingen van deze tijd (bijvoorbeeld vergrijzing, werkloosheid, hoge financiële druk, overheidsschuld en die van de gevolgen van de immigratie in het bijzonder) krachtdadig aan te pakken.

Maar we moeten niet alles over een kam scheren. Sommige delen van de overheidsorganisatie zijn ongeëvenaard efficiënt, andere schrikbarend ondoelmatig.

Is, nu de economie voornamelijk door conjuncturele invloeden aantrekt, de noodzaak van de bezuinigingen minder groot? Krijgen we nu eerder afgeschafte regelingen terug? Een chirurg kan in zijn bezorgdheid om de patiënt te helpen, onbedoeld wel eens te veel wegsnijden, en daardoor ongewild de (economische) natuur te weinig kans geven.

Onderscheid dient te worden gemaakt met welk doel politici willen snijden. Is het om de belastingen te verlagen of is het om de publieke dienstverlening te verbeteren? Wie veel belooft, heeft veel ambtenaren nodig om al die beloftes waar te maken.

Daarmee komen we op de invloed van wat wel genoemd wordt de vierde macht. De ambtenaren. Die in ons land niet in vier jaar alles wat ze zouden willen hoeven binnen te halen, zoals politici, maar doorgaans wat meer tijd krijgen om hun zin te krijgen. Veel beleid is niet afkomstig van de politiek, maar van (over)ijverige ambtenaren die gewoon hun eigen politieke agenda hebben.

Er is ook reden de recente voorstellen om de burger nieuwe gratis voorzieningen aan te bieden kritisch te bezien. Hoeveel extra ambtenaren zouden nodig zijn om dit te realiseren? Bovendien, gratis betekent domweg dat iedereen via de belastingen eraan mee betaalt. Maar daardoor wordt het verband tussen vraag en aanbod - de prijs- buiten spel gezet en de omvang van de overheid - lees het aantal ambtenaren - vergroot.

De prijs buitenspel zetten en tegelijkertijd de lofrede van de marktwerking bezingen is met elkaar in tegenspraak. Maar dat is precies wat de aanhangers van de gratis-manie doen. Door de illusie te creëren dat iets wat schaars is gratis is, schakelen zij de marktwerking ook uit op die terreinen waar ze heel goed werkt. Neem bijvoorbeeld gratis openbaar vervoer. Iedereen gratis op de trein, metro of bus moet kunnen, luidt de boodschap. Dat betekent gewoon dat de overheid via belastingsgelden - en dat zijn we met zijn allen - dit betaalt. Zo ontstaat er een totale breuk tussen de verbruiker en de betaler. Wat een aantasting van de kern van de marktwerking betekent.

Lijst 5 Fortuyn verzet zich tegen spilzucht van de overheid uit naam van solidariteit of sociaal gevoel! In het ondoorzichtige woud van Subsidieland kunnen vele belangenorganisaties zich ongemerkt ontplooien. Uit het zicht van de belastingbetaler, maar vaak wel op zijn kosten. Het draagvlak is dikwijls twijfelachtig, zeker wanneer de organisaties niet van directe steun van burgers afhankelijk zijn. Belangengroeperingen hebben naar verhouding te veel invloed op de wetgeving. Met behulp van professionele subsidiologen buiten deze groeperingen dit op effectieve wijze uit. Geen boom kan gekapt worden zonder toestemming, geen huis kan te lang leeg staan zonder krakers en rond de bij voorbaat zielig verklaarde medemens is een heuse bedrijfstak opgebouwd. De BV van geluk en welzijn. De doorsnee burger heeft hier doorgaans geen weet van. Hij is er nauwelijks bij gebaat, de professionele subsidieverslinders des te meer. Die veelal hun eigen markt scheppen. Zij dienen volgens Lijst 5 Fortuyn met kracht te worden teruggedrongen.

‘Er is niets mis of slecht aan Nederland wat niet kan worden opgelost door wat goed is aan Nederland. ’

De zojuist vermelde praktijkvoorbeelden laten zien dat de overheid niet altijd de beste garantie is voor oplossing van problemen. Veelal vormen de gekozen oplossingen voor problemen niet meer dan een kleurloos compromis tussen onverzoenbare opvattingen die herleidbaar zijn tot op aan elkaar tegengestelde filosofieën. De ideologische profielen van de grote politieke partijen CDA, VVD en PvdA, die alle stammen uit de 19e eeuw, zijn de afgelopen jaren echter onmiskenbaar afgevlakt. De bindende kracht van de eigen overtuigingen is daardoor danig afgezwakt. De ‘revolutie van de jaren zestig’ was weliswaar niet alleen een Nederlandse aangelegenheid, maar viel vooral op door de luidruchtigheid van de jonge actievoerders. In een verbazingwekkend tempo hebben de geschrokken volwassen regenten zich daarna beijverd een aantal vergaande structurele wijzigingen door te voeren. Zo kreeg in het hoger onderwijs de ideologische waangedachte van ‘one man one vote’ op stel en sprong vaste voet aan de grond. Waarbij de kerneigenschappen van de universiteit of hogeschool als professionele organisatie - professionele autonomie en verantwoordelijkheid - onder het tapijt werden geveegd.

Traditie en conventie werden in de zeventiger jaren vervangen door nieuwe waarden: zelfontplooiing en persoonlijk authenticiteit. Die overigens niet alleen als rechten, maar ook als plichten werden gezien. Als vrije mensen in een vrije samenleving kunnen leven, zou de kwaliteit van de samenleving sterk verbeteren. Velen lieten hun overtuigingen steeds minder bepalen door een kerkgenootschap. Wat niet altijd betekende dat ze minder gelovig werden, maar hun geloof werd meer een privé-aangelegenheid.

Toch is bijna iedereen het erover eens dat er een aantal fundamentele beginselen van onze samenleving zijn overgebleven waarover niet onderhandeld kan worden: scheiding van kerk en staat, vrijheid van meningsuiting, verdraagzaamheid en non-discriminatie.

De samenleving werd in de jaren zeventig gepolitiseerd. Althans in bepaalde kringen. Het begrip politiek werd niet meer alleen toegepast op staat, parlement of politiek, maar op zo ongeveer alle vormen van machtsverschil en - machtsgebruik. Alle verhoudingen tussen mensen kregen daardoor een politieke betekenis of op zijn minst een politieke lading.

Al in 1990 werd door de historicus Oerlemans geconstateerd dat er met onze zelfvoldane democratie iets fundamenteels mis was. Elke ideologie was vervaagd, politieke partijen beschikten niet meer over ondubbelzinnige beginselen en evenmin over een duidelijke waardenhiërachie. Iedereen was het met elkaar eens, politici werden alleen nog voortgedreven door eigenbelang of ijdelheid, en meestal beide (NRC Handelsblad, 14 februari 1990).

Maar in 2000 bleek dat 80 % van de Nederlandse bevolking toch tevreden was over de democratie. Niemand kon bevroeden welk onheil ons boven het hoofd hing, naast de andere niet uit te wissen narigheden van de jaren negentig. We noemen de Bijlmerramp in 1992, de evacuaties als gevolg van overstromingen in Limburg, Brabant en Gelderland in 1993 en 1995, de varkenspest, de BSE, de genocide in Srebrenica, de Herculesramp in 1996, de ontploffing van de vuurwerkfabriek in Enschede, de brand in café ’t Hemeltje in Volendam op nieuwjaarsmorgen 2001, en de mond- en klauwzeer epidemie in het zelfde jaar.

Onder de ‘paarse kabinetten van Kok’ leek Nederland definitief ‘de ideologische veren te hebben afgeschud’. De twee aartsvijanden van weleer - socialisten en liberalen - sloten een compromis dat wederzijds goed leek te bevallen. Over morele vraagstukken werd niet al te moeilijk gedaan. Euthanasie, abortus, prostitutie: het moest allemaal kunnen. Tolerantie was het toverwoord, de multiculturele samenleving was het paradijs waarnaar de mensheid al eeuwenlang op zoek was geweest. Verder nadenken over maatschappelijke problemen leek niet meer nodig.

Door het einde van de Koude Oorlog leek het alsof het tijdperk van de hevige religieuze, ideologische en morele conflicten achter ons lag. Door de Amerikaanse filosoof Francis Fukuyama kernachtig omschreven als ‘het einde van de geschiedenis’.

Maar 11 september 2001 (nine eleven) liet abrupt zien dat er nog steeds felle religieuze, ideologische en morele strijd bestond, en dat de geschiedenis helemaal niet voorbij was, maar een nieuw tijdperk was aangebroken. Het multiculturele ideaal viel in één klap in duigen.

Het was Pim Fortuyn die de sluimerende onvrede (‘de veenbrand’) in de Nederlandse samenleving boven het maaiveld haalde. Het publieke domein en de collectieve sector verkeerden na twee paarse kabinetsperiodes in een rampzalige toestand. De wachtlijsten in de gezondheidszorg waren onverantwoord lang, het onderwijs verkeerde in een zorgwekkende toestand, de veiligheid was niet gewaarborgd, het openbare bestuur had het laatste restje van zijn geloofwaardigheid verloren, enzovoort. En op dit moment is dit eigenlijk nog zo.

De socioloog Fortuyn was gegrepen door de vraag wat onze moderne Westerse samenleving zo welvarend en succesvol heeft gemaakt, welke kostbare verworvenheden wij moeten behouden en doorgeven aan onze kinderen en aan nieuwkomers. Fortuyn identificeerde de kernwaarden van de moderniteit, zoals de scheiding van Kerk en Staat, de ontwikkeling van de parlementaire democratie, de gelijkwaardigheid van man en vrouw, van homo en hetero, de vrije marktwerking, de vrijheid van meningsuiting, individuele verantwoordelijkheid én gemeenschapszin. In een geseculariseerde samenleving waarin de verzuiling alleen nog bestaat in politieke partijen en omroepen, geven deze kernwaarden houvast. De partij is er trots op dat deze kernwaarden mede dankzij de invloed van Fortuyn weer op de politieke agenda staan.

Hij wilde de regentenklasse in Nederland aanpakken, door de problemen waarmee mensen in ons land worstelen en hun oorzaken onverbloemd aan de orde te stellen. Hij zocht daarbij naar oplossingen die in de praktijk ook echt werken. Dat is wat hij beoogde met de mantra: ik zeg wat ik denk en ik doe wat ik zeg. Fortuyn was niet het product van een mediahype maar een authentieke, charismatische en inspirerende persoonlijkheid die volledig zichzelf was.

Het is een illusie te denken dat er een nieuwe Pim Fortuyn zal opstaan om het land te redden. Als er één ding is dat onze partij van hem geleerd heeft dan is het wel dit. De oude ideologieën werken niet meer in de tijd waarin wij nu leven. Onze tijd! Nederland heeft een nieuwe praktische denkstijl nodig en een beweging vanuit de bevolking die dat vorm gaat geven.

B. Onze hoofdthema’s

‘Di t is onze tijd, laten we die omarmen en er iets mee doen. ’

Lijst 5 Fortuyn baseert haar ‘propositie’ in de verkiezingen op twee uitgangspunten: Participatie door het volk Duideli jke, praktische keuzes

Participatie door het volk

Democratie betekent letterlijk: ‘heerschappij door het volk’. In ons parlementaire stelsel is de volkssoevereiniteit echter niet gewaarborgd. Burgers dragen eens in de vier jaar hun medebeslissingsrecht af aan volksvertegenwoordigers die vervolgens een monopolie op het beslissingsrecht hebben. Wetten die zo tot stand komen, zullen meestal niet door de meerderheid van de bevolking gedragen worden. Zij kan weliswaar bij een volgende stembeurt iemand anders kiezen, maar beschikt over geen enkel wettig middel om te voorkomen dat er besluiten worden aangenomen die tegen de meerderheid ingaan. De invloed van de kiezer binnen het parlementaire stelsel is dus uiterst gering. Elke stem blijkt keer op keer een sprong in het duister te zijn. De politieke partijen die in ons land de dienst uitmaken, zijn primair gericht op behoud van de eigen macht in plaats van wat het beste is voor Nederland. Dat komt omdat zij een democratisch model hanteren dat niet bij onze moderne tijd past. Erger nog, omdat zij de ingeslopen gewoonte hebben voor een deel van hun leden baantjes te regelen. Er is sprake van een bijna hermetisch gesloten politieke cultuur. De leden bepalen wie er belangrijk wordt in de partij en die prominenten moeten de leden vervolgens met baantjes weer paaien om ze zoet te houden. Dit leidt tot conformisme aan de dominante partijlijn. En tot een deadlock waar je in een dergelijk particratisch partijenmodel nooit uitkomt.

Lijst 5 Fortuyn gaat dat anders doen. Wij gaan kiezers en sympathisanten echt betrekken bij de politiek. Onze partij heft zich na acht jaar automatisch op, tenzij 15% van de Nederlanders in een petitie anders beslist. Hierdoor voorkom je dat baantjesjagers de macht krijgen en wordt de focus automatisch gericht op de toekomst van Nederland.

Waarom doen we dit?

Er zijn twee belangrijke redenen om de participatie van burgers in de politiek te vergroten: de geringe opkomst bij de verkiezingen en het geringe aantal leden van politieke partijen. Dit laatste is gedaald van 730.000 in 1960 naar 294.000 in 2000. Recentelijk is de teruggang enigszins gestopt. Maar nog steeds is niet meer dan 3 % van de bevolking lid van een politieke partij. Burgers zijn wel degelijk maatschappelijk betrokken. De afgelopen decennia is dit juist toegenomen. Althans bij niet-politieke organisaties. Een derde tot de helft van de volwassen Nederlanders doet volgens het Sociaal en Cultureel Planbureau (SCP) wekelijks vrijwilligerswerk. Niet alleen het verenigingsleven, ook het onderwijs, de arbeidsomgeving, het gezinsleven, de media en informele contacten bieden allerlei democratische socialisatiemogelijkheden en middelen om de burgerlijke vaardigheden te ontwikkelen. Amnesty International heeft 215.000 Nederlandse leden, drieënhalf keer zoveel als de PvdA. Burgers doneren gemiddeld jaarlijks zo’n twee miljard euro aan goede doelen.

Elke gemeentegids in ons land bevat een groot aantal organisaties. Scholen, sportverenigingen, ouderenbonden, milieuorganisaties, politieke partijen, zelfhulpgroepen, patiëntenverenigingen en woningbouwcorporaties maken alle deel uit van het maatschappelijke middenveld. De organisaties waaruit dit bestaat zijn geen deel van de overheid, opereren zonder winstoogmerk en berusten niet op familiale of primaire banden. Ondanks alarmerende verhalen over de commercialisering of de privatisering van het moderne bestaan, is het middenveld nog steeds een belangrijke motor van het maatschappelijke leven.

Organisaties krijgen veel makkelijker toegang tot het politieke systeem dan individuele burgers. Door het ‘ellebogenwerk van belangengroepen’ kunnen individuele belangen in het gedrang komen. De belangen van de georganiseerden worden dan beter gehoord dan de belangen van de mensen die zich niet hebben georganiseerd. Politici zijn doorgaans gevoeliger voor de participatie van organisaties dan voor die van burgers. De verstrengeling tussen middenveld en overheid, gaat ten koste van de mogelijkheden die burgers hebben om zaken onder de aandacht van de politiek te brengen.

Tachtig procent van de Nederlanders is ‘tamelijk’ tot ‘zeer’ geïnteresseerd in de politiek, maar vertrouwt politici niet. ‘Zij’ doen in Den Haag toch altijd wat ‘zij’ willen en niet wat ‘wij’ wensen. Kiezers zijn politici zat die wel praten, maar niet denken, laat staan doen. Zij willen duidelijke taal. Ergens bij horen en iets te kiezen hebben. Meebeslissen. Het gaat in Den Haag nooit over de zaak zelf, maar altijd over de beelden over de zaak. Een ritueel dat zich in zijn dunste vorm vooral manifesteert in de Tweede Kamer.

Hoe zijn de grote problemen in ons land op te lossen die veroorzaakt zijn door de aan de macht zijnde partijen? Partijen die geen van allen er voor uit durven te komen welke grote fouten en verkeerde keuzes zij eerder hebben gemaakt. Over de hoofden van de mensen heen die daarvan dagelijks last hebben. Wij kiezen er principieel voor aan de kant te staan van de mensen in het land en niet aan de kant van de Haagse coterie.

Hoe gaan we het doen?

Door er voor te zorgen dat de problemen die burgers dagelijks ondervinden beter tot de politiek doordringen. Waarbij burgers niet alleen problemen, maar juist ook oplossingen kunnen aandragen. Miljoenen mensen in heel het land weten allicht meer dan 150 mensen in Den Haag. Zo wordt beter gebruik gemaakt van de kennis en ervaring van burgers en kan zelfs borreltafelpraat vertaald worden in keuzes voor werkzame oplossingen, met de daarbij behorende consequenties.

Door gebruik te maken van de moderne communicatiemogelijkheden van onze tijd, niet alleen tijdens de verkiezingen maar ook daarna, kunnen we de problemen en oplossingen voortdurend met onze achterban agenderen en bespreken. En bovendien beter verantwoording afleggen over de gemaakte keuzes. Niet alleen de leden van onze partij, maar alle mensen die zich aantrokken voelen tot onze denkbeelden, geven we de mogelijkheid deel te nemen aan de keuzes waarvoor onze toekomstige fractie zich ziet gesteld. Zo worden onze Tweede Kamerleden volksvertegenwoordiger in de oorspronkelijke betekenis van het woord.

Daarnaast laten we tijdens de verkiezingscampagne sympathisanten via het internet meepraten over de prioriteiten van onze verkiezingsthema’s en meedenken over oplossingen voor Nederland. Mensen kunnen ook thema’s aandragen die, als ze voldoende steun van deelnemers krijgen, doorgespeeld worden naar (kandidaat) kamerleden. Na 22 november blijft dit gewoon doorgaan en zijn de volksvertegenwoordigers steeds te volgen en te benaderen. Onze kamerleden gaan dus gedurende de vier jaar continu verantwoording afleggen aan het electoraat.

De toekomstige fractie Fortuyn zal er de komende vier jaren op toezien dat het niet bij cosmetische verbeteringen blijft. Geen woorden maar daden. Het gaat het ons niet zozeer om het onderwerp dat op de politieke agenda wordt geplaatst, maar om de werkwijze van politiek en overheid. Het is een misvatting te denken dat burgers vooral ontevreden zouden zijn over bijvoorbeeld integratie, veiligheid, onderwijs of zorg. Wat de burger vooral stoort, is de wijze waarop de politiek omgaat met die vraagstukken. Er zijn immers altijd politieke vraagstukken en maatschappelijke problemen die moeten worden opgelost. De burger geeft in principe zijn stem voor vier jaar en weet nu nog niet wat in 2009 op de politieke agenda komt. In feite vragen politici de burger erop te vertrouwen dat zij toekomstige problemen op adequate wijze zullen aanpakken. En precies dat, het benoemen van de problemen en het aangeven hoe die op een goede manier kunnen worden opgelost, gebeurt nog onvoldoende. Het virus van de politieke correctheid steekt hier en daar al weer de kop op. Bijvoorbeeld in Rotterdam. Daar is het nieuwe college wel zo verstandig het beleid in algemene zin voort te zetten. Maar waarom zegt de wethouder Onderwijs dan dat het niveau van het onderwijs in zijn stad op het niveau van het platteland moet worden gebracht. Heeft ons platteland dan geen problemen? Of gaat het zo slecht in de stad Apeldoorn? Natuurlijk niet, hij heeft slechts het probleem willen omzeilen dat in de vier grote steden sprake is van een grote taalachterstand bij allochtone minderheden. Zeg dat dan en pak dat probleem gericht aan! Een ander voorbeeld. Waarom wordt het onderwerp vergrijzing zo hoog op de politieke agenda geplaatst, terwijl kenners als het ABP en de REA (Raad van Economische Adviseurs) daar veel minder somber over zijn? Is de vergrijzing werkelijk alleen een financieel-economisch probleem, of zou het zo kunnen zijn dat topambtenaren er een hard hoofd in hebben dat grote groepen allochtonen gaan deelnemen aan het arbeidsproces en dus de komende dertig jaar afhankelijk blijven van een uitkering met alle gevolgen van dien? Is de zogenaamd gratis kinderopvang voor iedereen misschien een generieke manier om ervoor te zorgen dat ook allochtone kinderen vroegtijdig Nederlands leren? Dat is dan wel een heel dure manier, die ook door een gerichte aanpak kan worden bereikt. Je zou bijvoorbeeld de test op taalvaardigheid die bij het consultatiebureau wordt afgenomen, kunnen omzetten in een bindend advies. Kleuters die geen Nederlands spreken, mogen niet thuis worden gehouden, maar moeten verplicht naar Groep 1.

Het is natuurlijk politiek en juridisch correct om alle kinderen te verplichten naar Groep 1 te gaan, maar dat is voor de taalbeheersing niet nodig. De meeste autochtone ouders sturen hun kinderen overigens al vrijwillig naar de kleuterklas.

De nieuwe Lijst 5 Fortuyn

Aan de Tweede Kamerverkiezingen van 22 november 2006 zal de partij meedoen als Lijst 5 Fortuyn. Nieuw, omdat ze principieel buiten het politieke bedrijf blijft staan, zowel wat betreft opvattingen als qua imago en stijl. Met een positieve, toekomstgerichte houding en, net als Pim Fortuyn, passie voor oplossingen die in de praktijk echt werken. Met energieke, gepassioneerde kamerleden die anders dan de beroepspolitici van de huidige partijen echte volksvertegenwoordigers zijn.

Heldere keuzes

We kiezen uitdrukkelijk voor heldere, dus praktische en realistische oplossingen. Met duidelijke keuzemogelijkheden die gericht zijn op het effect in plaats van op de intentie. Die gebaseerd zijn op de praktijk in plaats van op door achterhaalde ideologieën geïnspireerde dromen van een toekomst die nooit werkelijkheid kan worden. We komen met een duidelijke boodschap die laat zien waar wij voor staan: eerlijkheid, realisme en vertrouwen.

Intermezzo: over de huidige LPF- fractie

De persoonlijke conflicten uit het verleden zijn schadelijk zijn geweest voor het imago van de politiek in het algemeen en dat van de LPF-fractie in het bijzonder. Toch kan de huidige fractie de mensen die in 2003 op onze partij hebben gestemd, recht in de ogen kijken. De fractie is onze politieke uitgangspunten trouw gebleven, zoals ook wekelijks blijkt uit haar stemgedrag. Vaak was de stem van onze fractie doorslaggevend, niet alleen voor de regeringscoalitie, maar geregeld ook voor de oppositie. Daar gaat het uiteindelijk om. In die zin heeft Pim Fortuyn een duurzaam stempel gedrukt op de Nederlandse politiek. Een belangrijk thema voor hem was bestuurlijke vernieuwing. Veel commissies hebben zich hierover gebogen. Maar nagenoeg al hun voorstellen over vernieuwingen van ons openbaar bestuur zijn na enige discussie verdwenen in diepe bureauladen om er nooit meer uit te voorschijn te worden gehaald. Af en toe gebeurde er iets dat tendeerde naar een grotere invloed van burgers op het bestuur, zoals een bepaalde vorm van referendum of een wat andere manier om burgemeesters te benoemen. Maar de uiteindelijke keuze bleek dan door de invloed van de bestaande machten in de politiek hooguit een flauw aftreksel te zijn van het oorspronkelijke plan (referendum) of zo’n gedrocht dat het in de praktijk niet werkt. Zoals de recente wijziging van de benoemingsprocedure van de burgemeester, waar de gemeenteraad met twee kandidaten moet komen en de regering de keuze maakt. Hieruit blijkt wel hoe moeilijk het is voor bestaande politieke machthebbers beslissingen te nemen die hun eigen macht beknotten.

Waartoe de door de afgetreden D66-minister Pechtold - waarschijnlijk eveneens tevergeefs geïnitieerde - pogingen tot vernieuwing (het Burgerforum en de Nationale Conventie) zullen leiden, moeten we afwachten. De daarover op dit moment bekende informatie doet vrezen dat het na enig vruchteloos geschaak om personen te sauveren op het zoveelste echec zal uitlopen. Onze nieuwe fractie Fortuyn acht het aan haar stand verplicht wat betreft politieke vernieuwing betere resultaten te boeken dan D66, dat immers vanaf zijn ontstaan op dit terrein weliswaar met voorstellen kwam, maar door zijn ijver om een goede deelnemer aan het vermolmde parlementaire stelsel te zijn, amper iets heeft kunnen bereiken.

De fractie Fortuyn kan zich in de oppositie duidelijk profileren door veel beter en fundamenteler dan D66 ooit gedurfd of gekund heeft te luisteren naar de achterban en te kiezen voor meer invloed van burgers op haar politieke keuzes.

C. Geef Fortuyn de Vijf

De partij zal zich profileren met de volgende vijf thema’s. 1. Participatie 2. Herwaardering professionals 3. Ouderen 4. Immigratie/integratie en EU 5. Jongeren

1. Participatie

Via internet worden mensen in Nederland betrokken bij de politiek in Den Haag. Zij kunnen per onderwerp meepraten en beslissen over wat de lijn van de volksvertegenwoordiging zou moeten zijn. Problemen, misstanden en oplossingen worden door de mensen in Nederland aangekaart, via eigen forum besproken en van voldoende steun voorzien. Vervolgens pakt de volksvertegenwoordiger van Lijst 5 Fortuyn het op, maakt er een agendapunt van, maar houdt ook de gevolgen in het oog. Dit wordt weer in het forum geplaatst en zal uiteindelijk een eindoordeel opleveren. Daarmee gaat de volksvertegenwoordiger aan de slag. Voor de mensen op het forum blijft te volgen wat er met hun issue gebeurt. Zo kan de bevolking de volksvertegenwoordiger controleren en zo nodig belonen of afrekenen.

2. Herwaardering professionals

In 1995 hekelde Pim Fortuyn de schaalvergroting en het verdwijnen van de menselijke maat in de samenleving, vooral in de publieke sector (De Verweesde Samenleving, 1995, p. 98 e.v.). Met de menselijke maat bedoelde Fortuyn het op een dusdanige schaal organiseren van publieke taken dat vakmensen zelf in staat zijn deze vorm te geven. Denk aan de leraar die zelf uitmaakt hoe kennis aan de leerlingen over te dragen, de wijkagent die ervoor zorgt dat de wijk waar hij opereert veilig blijft en de verpleegster die zelf haar afdeling kan aansturen. Maar Fortuyn zocht de oplossing niet alleen in schaalverkleining. De schaalvoordelen voor de (financiële) strategie en de afzetkanalen moesten worden behouden. Dit alles zonder de verstikkende bureaucratie die bij schaalvergroting bijna onvermijdelijk optreedt.

Hoewel Fortuyn voor meer vrije marktwerking pleitte, was hij tegen de door de gevestigde politiek uitgevoerde privatiseringen en versterking van het maatschappelijke middenveld. Dit verschoof zijns inziens de problemen alleen maar en zou niet tot structurele oplossingen leiden. Daarom moet vooral gestreefd worden naar schaalverkleining in de publieke sector en meer delegatie van verantwoordelijkheden naar de werkvloer.

Lijst 5 Fortuyn vindt ook anno 2006 nog dat de bezem moet door de overheidsbureaucratie, met haar overbodige regelgeving en kostenverslindende beleidsnota’s. De politiek heeft lange tijd weinig aandacht besteed aan de uitvoering van beleid. Wet op wet, plan op plan wordt opgestapeld, zonder dat men zich zorgen maakt over de publieke dienstverlener die dit allemaal moet uitvoeren. Komen leraren nog toe aan goed onderwijs geven? En de verpleegkundigen, hebben die hun handen vol aan het bed of zijn ze aan het vergaderen? Hebben de artsen nog genoeg tijd voor hun patiënten of zijn ze bezig met het invullen van formulieren met de juiste diagnose-behandelingcombinatie? Komen agenten nog op straat of zijn ze 70 % van hun tijd bezig met het uitwerken van hun proces-verbaal of observatieverslag?

De overheid houdt zich in stand door steeds weer nieuwe zaken en problemen uit te vinden die dringend om een oplossing vragen. Het is ook veel te vol in ambtenarenland. Een wirwar aan organen is bezig zowel op landelijke als regionaal niveau met de coördinatie van beleid. Dezelfde mensen komen elkaar steeds weer tegen met verschillende petten op.

Er zijn veel teveel regels en voorschriften in ons land die professionals vertellen hoe in detail te handelen. Zelfs zoveel dat ze te weinig toekomen aan hun beroep. Als we meer overlaten aan de professionals zelf en hun autonomie herstellen, dan zijn er ook minder regels nodig en dus minder beleidsambtenaren. En als er minder beleidsambtenaren zijn dan komen er automatisch ook minder regels en minder toezicht

Met het geld dat op de overhead kan worden bespaard - zo’n 45 % van de departementen houdt zich bijvoorbeeld bezig met informatie en communicatie, financiën, organisatie, huisvesting enz., - kunnen uitvoerders (artsen, verpleegkundigen, politiemensen, leraren en docenten) beter worden beloond. Wij vinden dat zij er per 1 januari 2007 10% bruto salaris bij moeten krijgen. De daarvoor benodigde middelen worden door de betreffende ministeries weggehaald bij de bureaucratische tussenlagen, en de vele beleidsonderdelen en adviserende taken (commissies en adviesorganen).

Zorg

Groot, groter grootst. Ziekenhuizen van kolossale omvang en zorgtehuizen van dezelfde categorie. De huisarts verdwijnt in zijn oude vorm en is vervangen door de praktijk waarin meerdere huisartsen werkzaam zijn, die soms uitgroeien tot hele medische centra. Het gevaar van deze schaalvergroting is dat de patiënt meer en meer anonimiseert en er te bedrijfsmatig met mensen dreigt te worden omgegaan. Menselijke verhoudingen, die juist in de zorg zo belangrijk zijn, raken zoek.

Lijst 5 Fortuyn maakt zich grote zorgen over de zorg. Aan verbetering van de kwaliteit van de zorg zijn de laatste 20 jaar honderden miljoenen besteed, zonder dat ooit duidelijk werd of dit alles inderdaad tot verbetering van de resultaten van de zorgsector heeft geleid.

Onder andere door de vergrijzing staat betaalbaarheid van de zorg binnenkort onder grote druk. Ook zal het aantal mensen dat werkzaam is in de zorg spoedig niet meer toereikend zijn om aan de vraag te voldoen. Hoe lost Nederland dit op?

Voor het departement VWS lijkt het grootste problemen van de zorg te liggen op het terrein van de financiën en het juridisch-economische kader.

De zorg is vooral in de problemen gekomen door de voortschrijdende bureaucratisering en de onvermijdelijk daarmee gepaard gaande verschriftelijking. Tesamen met de tegelijkertijd doorgevoerde schaalvergroting, met als klap op de vuurpijl de toename van het aantal managers, heeft dit geen goed gedaan aan het behoud van de professionele autonomie. Om van de aantrekkelijkheid van de beroepen, in het bijzonder in de verpleging, maar te zwijgen. Terwijl het natuurlijk vooral gaat om het aantal handen aan het bed. Door al die in een bijna revolutionair tempo doorgevoerde reorganisaties, fusies en samenvoegingen, is de interne communicatie binnen de steeds groter wordende ziekenhuizen steeds meer onder druk komen te staan. Wat het onvrijwillige verblijf voor de patiënt meestal niet veraangenaamt. Dit ondervindt iedereen die wel eens in het ziekenhuis heeft gelegen. Voor patiënten is het natuurlijk allereerst van belang dat hij goed ‘verzorgd’ wordt: verpleegd, geopereerd dan wel behandeld. De menselijke maat lijkt grotendeels verdwenen. En de waardering voor de professional danig gedaald. Een salarisverhoging zal in ieder geval bijdragen tot verbetering van de aantrekkelijkheid van de beroepen in de gezondheidszorg.

Onderwijs

Plannen, plannen en nog eens plannen. De politiek had er veel voor het onderwijs. De afbraak begon bij de verschrikkelijke Mammoetwet uit 1963. Onderwijs dat het beste uit een ieder haalt zou het streven moeten zijn: niet onderwijs dat voor een ieder toegankelijk is. Kinderen die graag met de handen werken worden verveeld met theorie, de studietalenten worden te kort gedaan door nivellering van onderwijs. Leren moest vooral leuk worden en er moest sprake zijn van eigen initiatief. Dat alles heeft geresulteerd in onderwijs dat ver onder de maat is. De kleinschaligheid moet terug. De school moet weer een gemeenschap worden waarin kinderen veilig opgroeien en gevormd worden tot burgers die een samenleving waardig en goed kunnen leiden. Weg met de grote scholengemeenschappen die leerlingen anonimiseren tot nummers en een anarchistische inrichting hebben en dus geen geborgenheid bieden!

Het anarchisme op de scholen wordt ook nog eens versterkt door de experimenteerdriften van politici. Onderwijsmethoden komen en gaan dat het een lieve lust is. De leraar ziet dit allemaal met lede ogen aan. Niet de leraar staat met de leerlingen en eventueel de ouders centraal, vele -kundigen en -gogen vertellen hen zonder zelf voor de klas te staan hoe het moet. Managers zonder enige onderwijservaring sturen dit ook nog eens aan. De school is verworden tot leerfabriek en laat ons een gefrustreerde en slechtgeschoolde jeugd na.

De kleine school als gemeenschap, waarbij naast kennisoverdracht ook vorming centraal staat, dient in ere te worden hersteld. Waarlijk echte democratisering in het onderwijs is de taak voor de toekomst! Scholen zijn samengevoegd tot scholengemeenschappen die vaak meer dan duizend leerlingen in zich herbergen. De school als samenlevingsverband verliest meer en meer haar betekenis. Daarmee verliest het ook zijn betekenis als waarden en normen overdragend instituut. Daarmee komt de samenleving onder druk te staan. En dat terwijl het allemaal zo anders kan! De informaticarevolutie stelt ons in staat de menselijke maat terug te brengen. Op kleine schaal werken en toch efficiëntie en effectiviteit bewaren. Daarmee kan de menselijke maat terugkeren.

De in het onderwijs overheersende ideologie lijkt ervan uit te gaan dat kinderen vrij en ongebonden hun eigen leerproces kunnen en moeten vormgeven. Ze moeten het ’leuk’ vinden, zoals ze het ook ’leuk’ vinden om te worden vermaakt door de consumptiecultuur. Daarbij moeten ze vooral niet te veel opgedrongen krijgen van anderen -vooral van de docent. Want, zo wordt volkomen ten onrechte verondersteld, docenten mogen geen inbreuk maken op hun individuele vrijheid en zelfstandigheid.

Wij zijn het eens met deze analyse van de filosoof Verbrugge. Het is de laatste tijd ‘bon ton’ de docent die van zijn vak houdt, weg te zetten als ‘vakidioot’. Alsof hij te veel waarde hecht aan kennis die er voor leerlingen eigenlijk niet toe doet. “Maar waar het bij hem of haar vooral om gaat, is de individuele leerling, waarschijnlijk meer dan bij de vele onderwijshervormers het geval is. Gedegen vakkennis staat, mede door deze hervormers, niet meer centraal in het onderwijs, en daar worden generaties leerlingen de dupe van. Dat ook de docent altijd nog moet leren, wordt gebruikt als een argument om ongekwalificeerde mensen voor de klas te kunnen zetten. Inderdaad is het zo dat een leraar levenslang blijft leren, maar het is toch ook niet zo dat Johan Cruijff nog moet leren voetballen? De leerlingen hebben door deze jarenlange aanval op de vakdocent geen voorbeeld meer voor de klas staan van mensen die uitmunten.’’

Maar er is nog veel meer ellende. Veel door den Haag opgelegde programma’s om het onderwijs te vernieuwen zijn jammerlijk mislukt. Ondertussen is de aansluiting van het onderwijs op de arbeidsmarkt nog steeds gebrekkig. Vooral bij het VMBO. Bovendien is de autonomie van de scholen grotendeels uitgehold door overbodige regelgeving (circularitis). De bevoegdheden van de directeuren in het basisonderwijs zijn tot een onaanvaardbaar minimum teruggebracht door de ondergeschiktheid aan ‘hogere’ bestuurslagen. Het lerarentekort dreigt de pan uit te reizen en de werkdruk voor docenten is te hoog. De kwaliteit van de lerarenopleidingen staat ter discussie, er zijn nog veel onderwijsachterstanden in te halen en de invoering van de tweede fase in het voortgezet onderwijs heeft tot grote problemen geleid. Ten koste van de inzet en arbeidsvreugde van docenten en de motivatie van leerlingen en hun ouders.

Maar zijn die veranderingen ook echt verbeteringen? Daar kunnen we alleen achter komen als het onderwijs genoeg aandacht krijgt van de politiek en - wat natuurlijk minstens even belangrijk is - meer werk wordt gemaakt van ‘debureaucratisering’ en verbetering van de onderwijskwaliteit.

Een verhoging van het salaris met 10 % zal een positieve uitwerking hebben op de personeelstekorten in het onderwijs. In dit verband is het ook zinvol om het tekort aan leraren in het voortgezet onderwijs gerichter aan te pakken. Geef docenten in de exacte vakken een salarisverhoging, dat ook voor docenten in andere schaarse vakken zoals Duits kan gelden. De komende jaren zal het tekort aan leraren sterk toenemen omdat het docentenkorps ernstig vergrijsd is. Ongeveer een kwart van de docenten is tussen de 55 en 65 jaar, zo’n 20.000 mensen. Zij gaan de komende jaren massaal met prepensioen en pensioen. Er staan bij lange na niet genoeg mensen klaar om dit gat op te vullen. Volgens het ministerie van Onderwijs loopt het aantal vacatures in 2010 mogelijk op tot 3000 voltijdbanen (fte), op een totaal van 62.000 fte. Een waarschijnlijk veel te positieve schatting!

Hoger onderwijs

Ook het hoger onderwijs in Nederland heeft de afgelopen jaren veel voor zijn kiezen gehad. Ondanks veel tegenstand van mensen die het moesten uitvoeren, is met veel pressie van het ministerie het bachelor-mastersysteem ingevoerd. Door de invoering van internationale accreditatie wordt de kwaliteit sterk gekoppeld aan bekostiging.

Nederland moet volgens de huidige regering in 2010 in Europa de meest ontwikkelde kenniseconomie zijn. Dit vereist dat het hoger onderwijs een heel stuk beter zou moeten worden. Voor steeds meer beroepen en functies is een hogere opleiding vereist. Permanent moeten mensen worden bijgeschoold. Maar de afgelopen twintig jaar is er fors op het hoger onderwijs bezuinigd en is de verambtelijking en bureaucratisering tot grote hoogte gestegen. Dit kan niet zo doorgaan. Stagnatie ligt op de loer. Investeren in het hoger onderwijs is nu meer nodig dan ooit! Maar dan wel door eindelijk eens flink te bezuinigen op al die overbodige bestuurslagen en adviesinstanties!

Universiteiten

Universiteiten zullen meer dan ooit gedwongen worden strategische keuzes te maken. Door de massificatie van het hoger onderwijs en de globalisering van de economie neemt de nationale en internationale competitie tussen de universiteiten steeds meer toe. Er zal meer moeten worden ingespeeld op de vraag naar breder geschoolde academici die met kennis kunnen omgaan -de uitdaging van de telematicatoepassingen is hierbij cruciaal. Op onderzoeksgebied moeten de universiteiten hun ‘intellectuele kapitaal’ veel strategischer inzetten, vooral in allianties met bedrijven die actief zijn op de (internationale) kennismarkt. En voor de technologietransfer ten slotte, is het van belang dat er nieuwe samenwerkingsvormen met marktpartners worden ontwikkeld.

Ouderen

Ouderen zijn uiterst waardevol voor onze maatschappij. Zij hebben ons land opgebouwd tot wat het nu is. Zij verdienen alleen daarvoor al ons diepe respect. Daarnaast hebben ze qua besteding, kennis en ervaring veel bij te dragen aan onze maatschappij. Daarom kiezen wij ervoor de AOW weer op een acceptabel niveau te brengen. En zetten in op de verhoging van de participatie in het arbeidsproces van mensen van 55 jaar en ouder. Mensen van 65 jaar en ouder mogen na hun pensioen doorwerken als zij dit willen. Om dit te bevorderen, streeft onze partij naar een passende positieve prikkel in de vorm van een verdubbeling van de arbeidskorting. Ook kunnen zij gratis gebruik maken van het openbaar vervoer in de stadsregio. Fiscalisering van de AOW wijzen we af. Het recente SER-advies dat daarvoor ook pleit, doet meer denken aan het bedrijven van inkomenspolitiek dan aan een ontwerp van concreet beleid ter verhoging van de arbeidsparticipatie. De kosten van de vergrijzing vormen geen probleem als de arbeidsparticipatie verhoogd wordt en het arbeidsaanbod van hoog kwalitatief niveau is. Berekend is, dat de kosten van de vergrijzing geen probleem zijn als werknemers - die dat kunnen en willen - langer doorwerken tot hun 65-ste, en als werknemers - die dat kunnen en willen - ook de mogelijkheid krijgen na hun 65-ste door te werken. Let wel: ieder moet hier zelf kunnen kiezen! Arbeidskorting wordt alleen gegeven aan mensen die werken. Het is een korting op de te betalen loon- en inkomstenbelasting. Door verdubbeling van de arbeidskorting verdient men bijna 10% netto meer. De arbeidskorting bedraagt maximaal: € 1357 ( tot 57 jaar) € 1604 (57, 58 of 59 jaar) € 1849 (60 of 61 jaar) € 2095 (62, 63 en 64 jaar) € 998 (65 jaar en ouder)

Werknemers moeten zelf ervoor kunnen kiezen te werken in plaats van adv-dagen op te nemen. De adv, bij de invoering waarvan destijds salaris werd omgezet in extra vrije dagen, moet in feite worden teruggedraaid. Door ophoging van de arbeidskorting zou op persoonlijke basis en variabel in hoogte en tijd een extra netto-compensatie gegeven kunnen worden voor de meer gewerkte uren.

Het is een zaak tussen overheid en werknemer. De eerste realiseert een doelstelling (verhoging van de arbeidsparticipatie en een verhoging van de belastingopbrengsten) en de laatste wordt gemotiveerd naar behoefte zijn werktijd verder flexibel in te delen. Daarbij geldt: meer werken moet netto lonen. Aan mensen onder de 57 jaar, die op vrijwillige basis bereid zijn meer te gaan werken (c.q. adv-rechten inleveren), wordt een dubbele arbeidskorting toegekend, dus geen € 1357 maar € 2714.

In onderstaand staatje wordt aangegeven wat de effecten zijn van verdubbeling van de arbeidskorting voor drie inkomensklassen.

Doorwerken na je 65e moet lonen!

Mensen zullen meer geneigd zijn vrijwillig door te werken na het 65e jaar als dit beloond wordt met verdubbeling van de voor hen geldende arbeidskorting (van € 998 naar € 1.996). Een AOW-gerechtigde met een totaal bruto-inkomen van circa € 30.000 is vergelijkbaar met een 65-minner met een inkomen van circa 1,5 x modaal. Gaat zo iemand bijvoorbeeld 10 uur per week werken tegen een loon van € 10.000 op jaarbasis, dan houdt hij netto ongeveer € 6.100 hiervan over (circa 27% vooruitgang van het totale netto-inkomen). Als de arbeidskorting ook voor de gepensioneerde verdubbeld wordt, houdt deze in dit voorbeeld in plaats van € 6.100 circa € 7.100 over (stijging van het netto-inkomen met circa 31%).

4. Immigratie/integratie en EU

Pim Fortuyn had gelijk

Als er één onderwerp is waarover Pim Fortuyn achteraf gelijk heeft gekregen, dan is het wel de immigratie/integratieproblematiek. Hoewel de partijen die in ons land de dienst uitmaken bijna in koor roepen dat ze de lessen van Fortuyn in acht hebben genomen, is zijn programma nog lang niet volledig gerealiseerd. Voor nagenoeg alle politici is het een min of meer geaccepteerd feit dat een veel te hoge prijs is betaald voor de ongeremde immigratie. Begin zeventiger jaren werden enkele tienduizenden gastarbeiders naar Nederland gehaald. Later zijn er nog velen bij gekomen. In de jaren tachtig en negentig kwamen er honderdduizenden asielzoekers bij die net als de gastarbeiders, vergeleken met autochtone Nederlanders, geen werk hadden, de taal niet of gebrekkig spraken, dikwijls een uitkering genoten en vaker in het gevang belandden.

Maar de aan de macht zijnde partijen hebben er toch alles aan gedaan om aan deze problemen het hoofd te bieden, zult u tegenwerpen. Was dat maar waar, want het lukte niet echt. Ze bewezen wel lippendienst aan de oplossingen van problemen, maar kregen al gauw weer slappe knieën. Wat te denken van de onzinnige redenering dat immigranten nodig zijn om de vergrijzingtegen te gaan?

Het kabinet-Balkenende deint zorgeloos mee op de golven van deze onverwachte omslag in het denken. Bijvoorbeeld door een nieuwe ‘kenniswerkersregeling’ te introduceren die is bedoeld om waardevolle buitenlandse werknemers naar Nederland te lokken, maar waarvan ook laagbetaalden kunnen profiteren. Het kabinet lanceerde in de lente zelfs een nieuw ‘puntenplan’ om de immigratie van buiten Europa naar Nederland verder te stimuleren.

Als per 1 januari a.s. bovendien de grenzen met acht Oost-Europese landen helemaal opengaan, zal dit leiden tot een grote extra toevoer van immigranten. En wie zijn daar de dupe van? De laagstgeschoolden in ons land, waaronder veel vroegere immigranten, zoals Marokkaanse en Turkse Nederlanders. Hun werk zal tegen veel lagere kosten worden gedaan door nog goedkopere immigranten. De grote extra instroom leidt dus tot verdringing aan de onderkant van de Nederlandse arbeidsmarkt. Dat leidt tot: veel meer werklozen en een groter beroep op uitkeringen.

Den Haag laat ons volk ondertussen in onzekerheid over de vraag of de Roemenen en Bulgaren die waarschijnlijk per 1 januari bij de Europese Unie komen, al dan niet worden geweerd. Ook de gevolgen voor Nederland van de massale legalisering van illegalen in Zuid-Europa laat men stomweg aan het toeval over. Ook deze mensen krijgen na verloop van enige tijd recht op Nederlandse banen, uitkeringen en gezondheidszorg.

Hoe onze rechtstaat zich moet verhouden tot inbreuken op onze rechten en de bedreigingen van onze samenleving blijft een nagenoeg onbeantwoorde vraag. Hoe kan onze samenleving in vrijheid voortbestaan, wanneer onze spreekwoordelijke tolerantie zich tegen ons gaat keren en ook onze traditionele rechten en vrijheden tegen ons worden gebruikt? Mensen met een Europese of ’wereldidentiteit’ bestaan niet. Onze Nederlandse identiteit bestaat uit een zeer gevarieerd samenstel van elementen. Maar het belangrijkste daarvan is niet of je van Franse kaas, Belgische bonbons, Duitse worst, Spaanse tapa’s, Bach of Amerikaanse films houdt.

De kern daarvan is onze eigen nationale identiteit. Maar wat het precies is, kan moeilijk worden omschreven. Identiteit is net zoiets als wat een vis in het water voelt. Je bent je niet ervan bewust dat je er middenin zit. Pas als het water vervuild wordt, weet de vis wat het is. Pas als er bedreiging van buiten komt, besef je wat je eigenlijk bent: Nederlands staatsburger.

We oogsten nu de wrange vruchten van decennia van toegeeflijk beleid waarin de in slaap sussende en alles toedekkende ideologie van het multiculturalisme de boventoon voerde. Lijst 5 Fortuyn neemt ondubbelzinnig en publiekelijk afscheid van deze valse doctrine. Een multiculturele samenleving is een contradictio in terminis. Nederland is multi-etnisch geworden. Maar zonder de erkenning dat Nederland slechts één dominante cultuur kent, is het onmogelijk om mensen met een verschillende etnische achtergrond te laten samenleven. Die dominante cultuur is hoe dan ook de Nederlandse, als onderdeel van de westerse beschaving. En alle vreemdelingen hebben zich in de eerste plaats op de een of andere wijze aan te passen aan die cultuur met haar op een eeuwenlange ontwikkeling berustende rechtsorde en niet andersom.

Fundalistische extremisten maken onbekommerd gebruik van de ruime Nederlandse burgerlijke vrijheden in hun strijd tegen een in hun ogen decadent land dat wordt bevolkt door homoseksuelen en druggebruikers. Zo ondermijnen zij diezelfde vrijheid die hen in staat stelt dit ongestoord te doen. Het is niet voor niets dat overal geroepen wordt om inperking van burgerlijke vrijheden, ook door de aanvankelijke pleitbezorgers van die vrijheden. Het is dubbel tragisch dat het fundamentalisme op die manier wordt beloond.

De weerzinwekkende moord op Theo van Gogh was een regelrechte aanslag op onze rechtsstaat. Het was een laffe daad met het oogmerk door het zaaien van angst en verdeeldheid onze samenleving te destabiliseren. En voorstanders van het vrije woord de mond te snoeren. Vaak wordt gesteld dat integratie van twee kanten moet komen. Maar waarin zou de aanpassing van autochtonen aan de cultuur van de nieuwkomers dan moeten bestaan? Het belangrijkste wat de partijen die verantwoordelijk zijn voor de huidige problemen in ons land zouden moeten doen, is herstel van de schade die zij gewild of ongewild hebben aangericht door onder invloed van de dodelijke nonchalance van het multiculturalisme de waarde van de eigen tradities niet of nauwelijks te benadrukken en niet weerbaar te verdedigen.

Bij integratie speelt onmiskenbaar een mengsel van religieuze en politieke componenten een rol. Wat voor toekomst heeft Nederland als staats- en cultuurnatie? Die toekomst is ongewis, tenzij we ons net als Pim Fortuyn resoluut teweer stellen tegen bewuste of onbewuste medewerking aan een geruisloze zelfopheffing van Nederland als cultuurnatie door onze eigen culturele identiteit niet serieus te nemen en zonder slag of stoot op te gaan in een door Amerika gedomineerde wereldcultuur. En geen verzet te bieden tegen het verval van onze prachtige Nederlandse taal tot soort een huis-tuin-en-keuken-taaltje en tegen toenemende allochtonisering van onze samenleving.

Enkele citaten van Pim Fortuyn:

‘Een definitie van kernwaarden van de eigen cultuur en eigen cultuur van de Nederlanders van vreemde herkomst terug eisen.’

‘Als de Balkan ons na het uiteenvallen van het rijk van Tito iets kan leren, is het wel dat de multiculturele en multi-etnische samenleving op zijn minst een project van een heel lange adem is en veelal tot mislukken gedoemd.’

‘Het land van herkomst dient nog slechts een cultureel oriëntatiepunt te zijn, maar zeker geen politiek en maatschappelijk oriëntatiepunt.’

Immigratie

Nederland is geen immigratieland. Ruimte is een schaars goed in ons land dat een van de dichtstbevolkte ter wereld is. Het in verhouding tot het geringe oppervlak grote aantal inwoners zorgt voor spanningen op een aantal belangrijke punten: veiligheid, werkgelegenheid, volkshuisvesting, ruimtelijke ordening, onderwijs en gezondheidszorg. Om deze spanningen het hoofd te kunnen bieden, is het noodzakelijk de toevloed van immigranten naar Nederland te beperken. Alleen die vluchtelingen die in veilige landen in de regio niet kunnen worden opgevangen, dient in Nederland soelaas te worden geboden. Illegaal in Nederland verblijvende vreemdelingen moeten zonder uitzondering uitgezet worden. En de toegang tot Nederland moet hen voor een lange periode ontzegd worden omdat ze op het gebied van huisvesting, zorg en onderwijs een ontoelaatbare druk uitoefenen op de samenleving in de grote steden van Nederland.

De immigratie naar Nederland is alweer aan het stijgen. We weten ook niet zeker of de maatregelen tegen de huwelijksmigratie uit landen als Turkije Marokko blijvend effect zullen hebben. De Vreemdelingenwet die vanaf 2001 de instroom van asielzoekers sterk deed teruglopen, is nu al uitgewerkt. Vorig jaar is het aantal asielzoekers met een kwart gestegen tot 12.350. Ons land vertoont daarmee als enige in Europa een toename van het aantal aanvragers. Dit jaar melden zich in de eerste helft ruim 9.000 asielzoekers voor de procedure. Als deze ontwikkeling zich voortzet, zullen in 2006 zo’n 18.000 asielzoekers zich in ons land melden, ongeveer net zoveel als tien jaar geleden: 22.860 in 1996. Het wordt tijd dat er weer eens iemand aan de bel trekt!

Door het beleid van vorige kabinetten zijn in Nederland de problemen op het gebied van immigratie en integratie van minderheden nog steeds niet afdoende opgelost. Om een cultuurclash te voorkomen, blijft het hoognodig iets hieraan te doen.

Het aantal niet-westerse allochtonen in Nederland bedroeg in 1990 866.000 (5,8 %, van de bevolking). Nu is dat aantal verdubbeld tot 1,7 miljoen (10,5 %). Volgens de vorig jaar door het CBS opgestelde Integratiekaart zijn de verschillen tussen autochtone en allochtone leerlingen even groot gebleven. Het aantal uitkeringsontvangers is onder de meeste herkomstgroepen erg hoog. De Nederlandse cultuur wordt vaak als niet passend of zelfs bedreigend voor de eigen identiteit ervaren. De tweede generatie allochtonen doet het ook niet beter dan de ouders als het gaat om criminaliteit. Die generatie zoekt in meerderheid een partner in het land van herkomst. Door deze importbruiden ontstaan nieuwe problemen. Want hun kennis van Nederland en het Nederlands is e verwaarlozen, zodat de inburgering ook niet echt opschiet. De vele incidenten van de afgelopen jaren zijn ook niet bevorderlijk voor de sfeer en bevestigen de reputatie van Marokkaanse jongeren. Respect wordt gevraagd voor andermans cultuur. Maar wat betekent dat woord ‘respect’? Voor een cultuur waar eerwraak wordt vergoelijkt, vrouwen worden achtergesteld en meisjes van school worden gehaald als ze in de puberteit komen? Lijst 5 Fortuyn ziet de beperking van de immigratie van mensen uit niet westerse culturen naar Nederland als een absoluut noodzakelijke voorwaarde voor effectieve integratie van de al in Nederland verblijvende etnische minderheden. Om een daadwerkelijk effectief integratiebeleid te kunnen voeren, is het noodzakelijk de in het verleden ontstane scheefgroei in de verhouding tussen de overheid en inburgerende immigrant te corrigeren. In het integratieproces dient voor inburgeraars de nadruk te liggen op hun plichten ten aanzien van de Nederlandse samenleving en minder op hun rechten.

Integratie

Een min of meer officiële definitie van integratie luidt: Een persoon of groep is geïntegreerd in de Nederlandse samenleving wanneer sprake is van een gelijke juridische positie, gelijkwaardige deelname op sociaal economisch terrein, kennis van de Nederlandse taal en wanneer gangbare waarden, normen en gedragspatronen worden gerespecteerd. Integratie is een tweezijdig proces: enerzijds wordt van nieuwkomers verwacht dat zij bereid zijn te integreren, anderzijds moet de Nederlandse samenleving die integratie mogelijk maken (cie Integratie Tweede Kamer)

Lijst 5 Fortuyn streeft wat betreft integratie naar concrete oplossingen die werken. Allereerst moet de toevoer van nieuwe immigranten worden afgesloten. Dit betekent: geen gezinshereniging (met een voorbehoud ten opzichte van de met de EU eerder gemaakte afspraken). Geen asielzoekers meer naar Nederland (idem), maar mensen van buiten die iets toevoegen in economische zin zijn welkom gedurende de duur van het contract.

Al aanwezige allochtonen kunnen zich niet gescheiden van de rest van de samenleving ontwikkelen, maar moeten zich aanpassen. Aan twijfel aan de dominantie van de Nederlandse cultuur tijdens het integratieproces wordt wat betreft Lijst 5 Fortuyn geen ruimte gegeven. Hiertegenover staat ook dat negatieve beeldvorming moet worden bestreden door het versterken van de sociaal-economische positie en (arbeids)participatie.

Integratie heeft ook alles met economie, want met werk te maken. Wij gaan bedrijfsscholen stimuleren. Hierdoor komt ook de samenhang tussen kenniseconomie en maakindustrie beter tot uiting. Veel vaklui hebben het werk geleerd bij Philips, Fokker, Hoogovens, DAF, enz. Daarnaast moeten succesvolle allochtonen als rolmodellen meer aandacht krijgen om negatieve beeldvorming en stigmatisering te voorkomen. Discriminatie moet actief vervolgd worden.

Ontwikkelingshulp als middel

Nu wordt vijf miljard (mld) per jaar ontwikkelingshulp aan 23 landen besteed. Wij stellen voor dit bedrag te halveren (dat is dan nog altijd evenveel als het Europese gemiddelde) en dit geld uitsluitend te gebruiken aan de ondersteuning van goed opgezette terugkeerprogramma’s van hier verblijvende allochtonen.

Concreet

Ons standpunt ten aanzien van immigratie en integratie komt neer op het volgende:

Terugkeer van de grensbewaking aan de Nederlandse grenzen (opzeggen Schengenverdrag)

Volledige stop op alle immigratie (asiel en gezinshereniging)

Ontwikkelingshulpgelden inzetten bij terugkeerprogramma’s

Stop op bouw moskeeën en islamitische scholen

Versterking van de sociaal-economische positie van allochtonen

5. Jongeren

Ontwikkelingen als globalisering, individualisering, technologische vooruitgang en vergrijzing zullen voortdurend nopen tot radicale sociaal-economische hervormingen. Er is nieuwe invulling nodig van solidariteit tussen generaties, een bij de huidige tijd passende modernisering van de welvaartsstaat, waarbij niet voorop staat wat de samenleving (dat zijn we met zijn allen) voor jou kan doen, maar wat jij voor de samenleving kunt doen.

Onze overtuiging is dat mensen meer gemotiveerd worden tot een actieve bijdrage aan de samenleving door beloningen voor goed gedrag. Zolang slecht gedrag beter beloond wordt - de voordelen zijn dan groter dan de nadelen - is het uiterst moeilijk daar een eind aan te maken. Sociale zekerheid voor jongeren zonder werk moet minder worden gericht zijn op de instandhouding van afhankelijkheid van de staat en veel meer op deelname aan de arbeidsmarkt. Te denken dat een goede toekomst voor de jeugd afhankelijk zou zijn van wat oudere en welvarende Nederlanders hen zouden willen geven is een denkfout van de eerste orde. In de eerste plaats is dit veel meer afhankelijk van wat jongeren zelf bereid zijn te doen. Afhankelijkheid van de overheid is ook hier geen oplossing die hout snijdt. Voor jongeren uit alle lagen van de bevolking start een zinvol actief burgerschap met actieve betrokkenheid bij de samenleving en bij alle voor hen relevante maatschappelijke vraagstukken. Ook bij de politiek.

Het huidige kabinet laat zich ook op dit terrein nogal eens verleiden tot ‘management by speech’, in de kennelijke veronderstelling dat zoiets werkt. De ervaring leert dat juist de professionals die werken voor en met kinderen en jongeren zich weinig tot niets gelegen laten liggen aan oekazes uit Den Haag. Ook hier is dus sprake van een groot cultuurverschil. Want de toegesprokenen zijn niet geneigd iets te doen als niet direct duidelijk is wat het ‘oplevert’.

Jeugdzorg

De laatste jaren zijn er diverse incidenten geweest die de vraag hebben doen rijzen of de veiligheid van kinderen die met de jeugdzorg te maken hebben wel gewaarborgd is. In enkele onderzoeken heeft de Inspectie voor de Jeugdzorg geconstateerd dat het handelen van de instelling tekort schoot en onacceptabele risico’s met zich meebracht. Toch zal elk weldenkend mens nu juist denken dat diezelfde veiligheid te allen tijde voorop moet staan. Maar dit is niet het geval. Althans niet in werkelijkheid. Professionals in het jeugdveld moeten problemen eerder en beter signaleren, waardoor ze gerichter zorg kunnen bieden. De ingezette zorg moet effectief zijn. Uit cijfers blijkt dat in 2004 45% van de aangemelde kinderen en jongeren bij Bureau Jeugdzorg geen gespecialiseerde jeugdzorg nodig heeft. Zij kunnen geholpen worden met een lichtere vorm van zorg door bijvoorbeeld de jeugdgezondheidszorg of het algemeen maatschappelijk werk. Voorkomen moet worden dat deze kinderen van het kastje naar de muur worden gestuurd en dat de overbodige toestroom van kinderen naar de bureaus jeugdzorg de wachtlijsten daar doen stijgen. Betere en vroegtijdige signalering en passende effectieve interventies moeten het tij keren. Het huidige instrumentarium wordt niet of nauwelijks getoetst op effectiviteit. ZonMw2 is gevraagd in kaart te brengen op welke terreinen nog effectieve signaleringsinstrumenten en interventies ontwikkeld moeten worden. Op basis hiervan zullen onderzoeksprogramma’s gestart worden, zodat professionals in het jeugdveld hun werk effectief kunnen doen. Hierdoor zouden kinderen vroeger en adequater geholpen worden: op tijd en op maat!

Maar is dat echt zo? Niet veel gesubsidieerde projecten kunnen bogen op objectief vastgestelde bewijzen van resultaten. Ondertussen neemt de roep om krachtige bestrijding van onverdraagzaamheid, onveiligheid en criminaliteit binnen en buiten de scholen toe. Hetzelfde geldt voor de aanpak van onhandelbare leerlingen, jonge notoire lastpakken, veelplegers en draaideurcriminelen die heropgevoed zouden moeten worden in internaten. Overigens, zonder dat uit onderzoek is gebleken dat het echt werkt.

De jeugdzorg is nog steeds niet in staat de problemen van ouders en kinderen tijdig en adequaat op te lossen. De voorzieningen werken vaak langs elkaar heen en veroorzaken daardoor onnodig extra problemen. De al jaren voortwoekerende discussie over de jeugdzorg en het jeugdbeleid heeft daaraan weinig kunnen veranderen.

Over de besteding van de aanzienlijke beschikbare budgetten wordt al sinds jaar en dag betere verantwoording afgelegd dan over de kwaliteit van de geleverde zorg. Door verkeerde prioriteiten is er een grote achterstand ontstaan in de kennis over de effectiviteit van interventies van de jeugdzorginstellingen. Er is decennia lang veel nadruk gelegd op de structuren: de instellingen en de wijze van financiering. We weten bij wijze van spreken alles over de aantallen personeelsleden en de arbeidsomstandigheden in de instellingen, maar we kunnen nog steeds niet bewijzen dat kinderen en hun ouders door de jeugdzorg met succes geholpen worden. Hoe effectief is de geboden zorg? Welke resultaten worden er behaald? Wat werkt er nou wel en wat niet?

Een treffend voorbeeld: het ministerie van Financiën heeft onderzocht hoe de geldstromen lopen bij het Bureau Jeugdzorg in Amsterdam. Er blijken vijftig geldstromen te zijn, die op twintig manieren moeten worden verantwoord op zes momenten. Die verantwoording kost in vijf gevallen meer dan de subsidie oplevert. Het wordt hoog tijd dat we prioriteit geven aan de burger en zijn noden en niet zoveel energie en geld besteden aan de instandhouding van de bureaucratie.

Jeugdbeleid

Er zijn vele voorbeelden te geven van politieke correctheid die de burger ergert en de samenleving op kosten jaagt, omdat generieke maatregelen worden getroffen, waar een gerichte aanpak voldoende zou zijn. Zoals het versluierende taalgebruik van het woordje ‘we’. Volgens beleidsmakers slaan ‘we’ onze kinderen meer, mishandelen ‘we’ onze vrouwen vaker dan vroeger, maken ‘we’ meer gebruik van de dokter, hebben ‘we’ meer speciaal onderwijs nodig. Maar waar het om gaat is dat we de cohesie en saamhorigheid in de samenleving krachtig bevorderen door gerichte en doeltreffende maatregelen. Wat nu vooral nodig is, is een samenhangend jeugdbeleid. Hoe wij nu omgaan met de jeugd, is een belangrijkere bijdrage aan het oplossen van de vergrijzing dan het praten over een verhoging van de AOW-leeftijd. In de grote steden is 55% van de bevolking onder de 25 jaar van allochtone afkomst. Ook deze kinderen moeten toekomst hebben, moeten over veertig jaar kunnen genieten van een welverdiend pensioen na gedane arbeid. De aanbevelingen van de Operatie Jong, uitgevoerd onder Steven van Eijck, geven daartoe een goede handreiking. Laten we beginnen met een minister van Jeugdzaken, geen coördinerend bewindspersoon, maar iemand met interdepartementale bevoegdheden, iemand die zowel een directeur-generaal op Onderwijs als op VWS kan aansturen.