Deze alleen-tekst versie is gebaseerd op dit document, waarbij alle opmaak, inhoudsopgaves, indices, tabellen, en voetnoten verwijderd zijn. Bij deze conversie kunnen fouten ontstaan zijn, controleer altijd het programma zoals gepubliceerd door de partij.

Wat zijn de nieuwe uitdagingen?

Waar liggen de uitdagingen van de nabije toekomst? Het gaat om een aantal sterk met elkaar verweven zaken.

De welvaart in de wereld is toegenomen. Nederland kent een open economie en cultuur en profiteert zelf ook sterk van de globaliserende economie. Anderzijds verlaten nog steeds tientallen miljoenen mensen huis en haard, slaan op de vlucht voor armoede, voor burgeroorlogen of voor rovende en gewelddadige overheden. De veiligheidsproblematiek is de afgelopen tijd steeds complexer geworden: falende staten, terrorisme en het bezit van nucleaire kennis kunnen gaan samenvallen. Terroristische netwerken zijn erop uit zijn culturele spanningen te laten overslaan naar de straten en scholen van Londen, Parijs, Madrid, New York en Amsterdam. De opdracht om mensen, culturen en religies met elkaar te verbinden wint door dit alles aan urgentie. Ver weg en dichtbij. Daarom is er een internationale inzet nodig, maar ook een geloofwaardig en ambitieus beleid om nieuwkomers te laten participeren. Geen enkel land kan de uitdagingen waar de globalisering ons voor plaatst alleen aan. Daarom zijn nodig een overtuigende buitenlandse politiek en een Europa dat bijdraagt aan innovatie, duurzaamheid, veiligheid en terrorismebestrijding.

Belangrijk voor ons land is een vitale en duurzame economie. Nederland zal concurrerend en innovatief moeten zijn, juist nu landen als India en China ons de handschoen toewerpen. Nederland moet daarom innoveren, nieuwe producten ontwikkelen en een plaats veroveren op de groeimarkten van de toekomst. Ondertussen zal die groei duurzaam moeten zijn. Anders groeit de milieuvervuiling ons boven het hoofd. De opkomst van nieuwe economische reuzen vergroot de ernst van de CO2-problematiek en van de schaarste aan energie. Maar juist daarom liggen er ook nieuwe mogelijkheden. Investeren in duurzaamheid en schone energie is kansrijk.

Niet minder wezenlijk is een arbeidsmarkt die goed functioneert. Er is een krimpende beroepsbevolking. Er zijn personeelstekorten. Tegelijk staan er nog teveel mensen langs de kant. Personeelstekorten gaan dan gepaard met werkloosheid. De lonen nemen in zo'n situatie al snel toe en Nederland loopt het risico zich uit de markt prijzen. Keerzijde van de krappe arbeidsmarkt is dat er extra kansen komen voor (soms) kwetsbare groepen op de arbeidsmarkt: oudere werknemers, gedeeltelijk arbeidsgeschikten en nieuwe Nederlanders. Hoe bevorderen we hun participatie?

Solidariteit tussen generaties vraagt om het betaalbaar en toegankelijk houden van de AOW, de pensioenen en de gezondheidszorg, ook in de toekomst als de vergrijzing zich krachtiger gaat aftekenen. Daar is geld voor nodig, maar ondertussen vraagt ook de huidige generatie om een goede en gerichte inkomensbescherming. Daarbij is het van belang niet alleen op het inkomen van mensen te letten, maar ook op de vaste lasten die soms het besteedbaar inkomen onder druk zetten.

Het is van belang dat scholen, zorginstellingen, etc. topprestaties leveren. Nederland is een kennissamenleving. Schooluitval en een zesjescultuur moeten daarom worden vermeden. In de gezondheidszorg zijn innovaties en doelmatigheid van belang om de zorg op peil en toegankelijk te houden en om enorme premiestijgingen te vermijden. Het is van belang dat instellingen zich verantwoorden in de richting van respectievelijk patiënten, studenten en ouders. Dat stimuleert, verhoogt de prestaties en versterkt het vertrouwen in elkaar. Het scheppen van een uitdagend werkklimaat is ook wezenlijk om personeelstekorten, om wachtlijsten in de zorg en lesuitval in het onderwijs te voorkomen.

Een goede opvoeding, een veilig klimaat thuis, de overdracht van waarden en normen door scholen en de media en het besef dat van ieder een waardevolle bijdrage gevraagd mag worden, verrijken het leven, versterken het besef dat een mens meer is dan klant van de samenleving. Dat is wezenlijk voor de sociale samenhang en het geeft diepte en inhoud aan het leven. Juist nu participatie op de arbeidsmarkt van zo groot belang is, moeten we er wel voor zorgen dat er ruimte is voor het gezin, voor opvoeding en voor vrijwilligerswerk. Veiligheid op straat is voor verbondenheid een wezenlijke randvoorwaarde.

1 Vertrouwen in mensen

1.1 Gezinnen en jeugd

Het CDA wil een gezinsvriendelijk beleid. Een minister wordt belast met de portefeuille emancipatie-, jeugd- en gezinszaken.

De kinderbijslag blijft inkomensonafhankelijk per kind. De kinderbijslag wordt verhoogd. De kindertoeslag, die vanaf 2008 de kinderkorting zal vervangen, houdt rekening met het gezinsinkomen en de gezinsomvang. Wie een minimuminkomen heeft, kan door de combinatie van beide regelingen de kosten van een kind beter dragen.

Ouders hebben de mogelijkheden om zelf kinderopvang te organiseren. De kinderopvangtoeslag per kind is inkomensafhankelijk en is gebaseerd op de normprijs voor kinderopvang gedurende drie dagen ofwel zes dagdelen. Deze toeslag wordt verhoogd, en de aanvraag van deze vergoeding wordt vereenvoudigd. Deze toeslag is ook van toepassing in geval van informele kinderopvang, bijvoorbeeld door oppas grootouders. Scholen krijgen de plicht om voor ouders die dat willen voor- en naschoolse opvang te (laten) organiseren.

Van alleengaanden wordt een hoge mate van solidariteit gevraagd, waardoor draagvlak wordt gecreëerd voor het behoud van noodzakelijke voorzieningen. Alleengaanden moeten er van hun kant op kunnen rekenen dat zij - zonodig - aanspraak kunnen maken op voldoende en toereikende ondersteuning en zorg.

De overheid geeft ouders een bijdrage tijdens het ouderschapsverlof in de vorm van een ouderschapsverlofkorting wanneer zij deelnemen aan de levensloopregeling.

Er kan niet vroeg genoeg worden begonnen met het bewust maken van risico's van een ongezonde leefstijl, bijvoorbeeld alcohol, drugs, tabak en overmatig computergebruik. Ook moet de preventie van HIV en AIDS onder de aandacht worden gebracht. Via consultatiebureau, school en media moeten kinderen, ouders, verzorgers en de omgeving van deze risico's op de hoogte gebracht worden. Om het moment van starten met genotsmiddelenexperimenten uit te stellen worden kinderen vanaf de bovenbouw van de basisschool weerbaar gemaakt tegen groepsdruk. Programma's en voorzieningen ter bevordering van een gezonde leefstijl worden aangeboden aan ouders en kinderen vanaf de geboorte tot en met de gehele schoolloopbaan. De jeugdgezondheidszorg werkt daarin samen met organisaties voor kinderopvang, peuterspeelzalen, scholen en maatschappelijke organisaties.

Opvoedingsondersteuning of hulp van een gezinscoach kan voor veel ouders een welkome steun in de rug zijn. Ouders en kinderen met opvoedingsvragen kunnen terecht in een Centrum voor Jeugd en Gezin. Alle betrokken instellingen en partijen rond kind en gezin werken daar samen aan preventie, vroegtijdige signalering en zo nodig hulp. Ook kunnen gezinnen elkaar daar ontmoeten, van gedachten wisselen en elkaar daar informatie en advies geven. Ook internet kan worden benut. De overheid stimuleert dat provincies en gemeenten op het niveau van de wijk voorzieningen voor gezinnen, kinderen en jongeren bundelen in Centra voor Jeugd en Gezin.

Het recht op jeugdzorg verdraagt zich niet met lange wachtlijsten en wachttijden. Er moet genoeg geld zijn voor een effectieve jeugdzorg om de groeiende vraag naar zorg bij te kunnen houden, door onder meer te investeren in de steeds zwaardere vormen van jeugdzorg, onder meer via gesloten opvang (niet strafrechtelijk). Maar er moet ook doelmatiger worden gewerkt in het belang van het kind, door ontschotting (ook tussen ministeries), het voorkomen van onnodige en het schrappen van overbodige bureaucratie.

Indien het noodzakelijk is voor het onbedreigd opgroeien van de minderjarige moet sneller een ondertoezichtstelling kunnen worden opgelegd. Tussen vrijwilligheid en dwang moeten meer mogelijkheden komen voor drang, bemoeizorg en een daarbij passende doorzettingsmacht.

Pleegouders vervullen een heel belangrijke rol in onze samenleving. Zij vangen en voeden kinderen op, die het niet gegeven is in hun eigen gezin op te groeien. Het CDA wil belemmeringen, waaronder financiële, voor deze pleegouders wegnemen. Bij wet dient tevens geregeld te worden dat pleegouders meer rechten worden toegekend.

Er komt een media-expertisecentrum voor ouders. Dit expertisecentrum, dat alle media omvat, rust ouders toe en stelt ze in staat om met programmamakers, omroepen, de bioscoop- en videobranche normen te ontwikkelen voor de bescherming van jongeren bij tv - programma's en films.

1.2 Maatschappelijke participatie en sport

Het CDA wil verdergaan met het weghalen van belemmeringen in wet- en regelgeving voor vrijwilligersorganisaties: minder regels, minder bureaucratie en een eenvoudiger (meerjarig) vergunningenstelsel. Er komt een nader onderzoek naar de persoonlijke aansprakelijkheid van bestuurders van vrijwilligersorganisaties.

Door zich maatschappelijk in te zetten, krijgen jongeren competenties mee die belangrijk zijn voor hun maatschappelijk functioneren. Het CDA wil dat een maatschappelijke stage van drie maanden verplicht onderdeel van het lesprogramma wordt op de middelbare school. Indien tijdens de initiële schoolopleiding geen maatschappelijke stage is gevolgd, dient aan deze sociale plicht te worden voldaan tijdens het leer-werktraject. Scholen en non-profitorganisaties kunnen dit naar eigen inzicht invullen, zonder dat dit ten koste gaat van het lesprogramma. De overheid werkt intensief samen met het jeugd- en jongerenwerk, onder andere op het terrein van het preventieve jeugdbeleid en het creëren van maatschappelijke stages. Binnen het vrijwilligerswerk wordt met spoed de administratieve lastendruk verminderd en knellende regelgeving afgeschaft. Hoewel jeugd- en jongerenorganisaties zelf verantwoordelijk zijn voor het financieel in stand houden van hun organisatie, kan de overheid projectsubsidies verstrekken. Daarnaast vindt het CDA dat landelijke vrijwilligersorganisaties voor actieve vrijetijdsbesteding van kinderen en jongeren gerichte steun van de overheid verdienen, in het bijzonder bij trajecten van kadervorming en opleiding, coachen en ondersteuning van betrokken, jeugdige vrijwilligers.

De toegankelijkheid en bereikbaarheid van voorzieningen op alle maatschappelijke terreinen is een voorwaarde voor participatie van gehandicapten en chronisch zieken. Gemeenten ontvangen voor de uitvoering van de WMO-taken toekomstvaste budgetten die rekening houden met demografische ontwikkelingen.

Discriminatie van gehandicapten en chronisch zieken wordt tegengegaan door actief te werken aan betere beeldvorming en door een voortvarende uitbreiding van de Wet gelijke behandeling ten behoeve van gehandicapten en chronisch zieken. De overheid bevordert dat de toegankelijkheid van dienstverlening en gebouwen verbeterd.

De gemeente blijft eerstverantwoordelijk voor het ondersteunen van vrijwillige inzet. De rijksoverheid ondersteunt een centrale landelijke helpdesk en kenniscentrum voor vrijwilligerswerk: het centrum zorgt voor een goede informatievoorziening over wet- en regelgeving en is een vraagbaak voor vrijwilligersorganisaties, vrijwilligers en steunpunten.

Mantelzorg is een vorm van niet-beroepsmatig verleende zorg. Het begrip 'gebruikelijke zorg' mag daarom niet verder worden opgerekt. Het persoonsgebonden budget biedt burgers, die van hun mantelzorger(s) méér dan 'gebruikelijke zorg' ontvangen, de mogelijkheid hun mantelzorger(s) daarvoor te belonen. Mantelzorgers mogen niet overbelast raken en moeten af en toe rust kunnen nemen. Dan moet vervangende zorg in de vorm van respijtzorg beschikbaar zijn.

Het CDA wil bevorderen dat gemeenten bewoners van wijken een budget geven, zodat hun betrokkenheid bij de buurt wordt vergroot. Dat bevordert de sociale samenhang. Woningbouwcorporaties hebben een belangrijke rol bij het leefbaar houden en maken van wijken, door dienstverlening te organiseren, huurkoop te realiseren, samen te werken met scholen bij de opvang van probleemjongeren, etc.

De bestuursstructuur die het CDA voor de maatschappelijke onderneming wil realiseren, zorgt voor een inzichtelijke verantwoording door corporaties, scholen, zorginstellingen en instellingen voor (jeugd-) hulpverlening. Het CDA wil deze vorm ook wettelijk vastleggen in het Burgerlijk Wetboek. Het gaat om een rechtsvorm die voortborduurt op de stichting en vereniging en die geschikt is om in een omgeving met marktwerking maatschappelijke taken zoals zorg en onderwijs te vervullen.

Het CDA steunt de sportactieve school en wil de samenwerking tussen scholen en sportverenigingen (verder) stimuleren door docenten lichamelijke opvoeding te betrekken bij de reguliere sport. Sporttrainers en coaches mogen ook sportles geven op school.

Topprestaties van Nederlanders zorgen voor trots en binding. Topsporters zijn vaak rolmodellen voor de jeugd. Topsport geeft identificatie en staat voor prestatie, innovatie, kwaliteit en kansen. De overheid ondersteunt Olympische uitzendingen, stimuleert het binnenhalen van evenementen en realiseert een evenwichtig en gespreid aanbod van toegankelijke topsportaccommodaties, ook voor mensen met een functiebeperking.

De georganiseerde sport is in eerste instantie zelf verantwoordelijk voor haar professionaliteit en voortbestaan. De grote maatschappelijke waarde van sport rechtvaardigt echter gerichte steun van de overheid. Rijks-, provinciale en lokale overheden hebben samen een verantwoordelijkheid om de sport van de nodige infrastructuur te voorzien: zwembaden, trapveldjes, ruiterpaden, sporthallen, opleiding en ondersteuning van vrijwilligerswerk. Die infrastructuur is bij voorkeur gelegen in of in de buurt van woonwijken, zodat de sociale samenhang erdoor wordt versterkt. De breedtesport is het fundament voor de professionele sportbeoefening, waarvoor een miljoenenpubliek bestaat. Hoe breder de basis, hoe hoger de top. Extra middelen voor sport zijn nodig.

1.3 Waarden, normen en burgerschap in Nederland

Gedeelde waarden en normen vormen de basis van onze samenleving. Ze binden ons en maken dat we trots kunnen zijn op ons land. Ze zijn onder meer geformuleerd in onze Grondwet en gebaseerd op de Nederlandse traditie van vrijheid in verantwoordelijkheid. De overheid dient deze waarden te beschermen. Van mensen en hun organisaties mag verwacht en moet indien nodig geëist worden dat zij aan onze samenleving deelnemen op basis van deze gedeelde waarden en normen. Daarbij is de onderschrijving van de scheiding tussen kerk en staat een eerste vereiste. Ook de rol van de autochtone bevolking in het streven naar sociale cohesie verdient aandacht.

Integratie van nieuwkomers is een wederkerig proces tussen de samenleving die nieuwkomers welkom heet en nieuwkomers die zich de Nederlandse taal eigen maken, kennis nemen van de Nederlandse wetgeving, cultuur en geschiedenis en hiervoor respect tonen. De aan de verplichte inburgeringstoets gestelde eisen worden daarom verhoogd, zodat nieuwkomers zijn toegerust om als ouder, burger en kostwinner te kunnen functioneren in onze samenleving. Het scholingsaanbod wordt geïntensiveerd en de -faciliteiten die de nieuwkomers voorbereiden op dit examen en het functioneren in onze samenleving, worden verbeterd. Daarbij is er oog voor mensen met beperkte vermogens. De Wet inburgering en de Wet werk en bijstand worden op gemeentelijk niveau aan elkaar gekoppeld teneinde een zo spoedig mogelijke reïntegratie op de arbeidsmarkt te bewerkstelligen. Voor vluchtelingen is hierbij aandacht voor het Banenoffensief Vluchtelingen. Daarnaast komt er meer maatwerk voor hoger opgeleide nieuwkomers. Het moet mogelijk zijn de inburgering sneller af te ronden. Oudkomers en laaggeletterden krijgen daarnaast ook de kans om de Nederlandse taal te leren.

Het integratiebeleid dient gericht te zijn op zowel sociaaleconomische participatie (meedoen via werk) als sociaal-maatschappelijke participatie (meedoen aan het dagelijks maatschappelijk verkeer), als politiek-bestuurlijke participatie (meedoen in politiek en bestuur). De inzet van betrokken partijen zoals werkgevers, instellingen, verenigingen etc. kan daarbij niet langer vrijblijvend zijn.

Vrijheid van meningsuiting behoort tot de fundamenten waarop onze samenleving is gebaseerd. Deze vrijheid is niet bedoeld om mensen tot in het diepst van hun ziel te kwetsen. Het CDA doet een appèl op de samenleving om verantwoord met deze vrijheid om te gaan. De overheid voert een actief beleid om misbruik van dit recht bijvoorbeeld in de vorm van haatzaaien en opruiing strafrechtelijk te vervolgen.

Godsdienst en levensovertuiging zijn een bron van inspiratie om het leven vorm te geven vanuit diepere waarden en bezieling. Daarvoor moet volop ruimte zijn. Naast de joodse, christelijke en humanistische traditie maken de islam, het boeddhisme, hindoeïsme en andere levensbeschouwingen deel uit van onze samenleving. Het CDA hecht eraan om vanuit christelijke waarden en normen te werken aan een samenleving waarin respect voor elkaar van groot belang is. Levensbeschouwelijke organisaties kunnen mensen houvast bieden om hun plaats in de samenleving te vinden en vandaar uit maatschappelijk actief te zijn. Religie kan en mag anderzijds nooit een legitimatie zijn voor gedrag dat tegen de kernwaarden van onze samenleving ingaat. Aan eventuele subsidiëring stelt de overheid de voorwaarde dat vanuit die kernwaarden een bijdrage aan de samenleving geleverd wordt. De overheid stimuleert en faciliteert dat imams en geestelijke bedienaren in Nederland worden opgeleid en dat zij zich, indien zij dat niet zijn, in Nederland verplicht laten bijscholen. Alle imams in Nederland moeten zich hebben geschoold in Nederlandse waarden en normen.

1.4 Een veiliger Nederland

Tekst paragraaf Het CDA wil een eind aan het gedogen van coffeeshops, te beginnen met een vermindering van het aantal coffeeshops, in het bijzonder in de buurt van scholen. Scholen, sportaccommodaties, kinderspeelplaatsen en hun omgeving moeten drugsvrij zijn. Doorverkoop van sofdrugs buiten de coffeeshop om wordt harder aangepakt. Met name, maar zeker niet alleen de grote steden ondervinden daarvan overlast. Illegale hennepteelt wordt bestreden onder meer door een intensieve (internationale) samenwerking tussen overheidsdiensten en bedrijven en door koppeling van bestanden. Growshops zijn te vaak leverancier voor illegale hennepteelt. Zij worden strenger gecontroleerd. Als blijkt dat ze met illegale hennepteelt van doen hebben volgt sluiting.

Overlast wordt zo nodig aangepakt door middel van individuele alcoholverboden. Leeftijdsgrenzen voor verkoop van tabak, alcohol en drugs moeten strenger gecontroleerd worden: niet alleen de verkoper aan jongeren is strafbaar, maar vanaf een bepaalde leeftijd ook de jongere zelf en zijn ouders. De jongere kan op een bij de leeftijd passende wijze worden gestraft.

Verruwing van het maatschappelijk klimaat is al snel een voedingsbodem voor geweld en criminaliteit. De overheid spreekt de media, scholen, horecagelegenheden en individuele burgers aan op hun bijdrage aan onderling respect en maatschappelijk fatsoen.

Discriminatie wordt aangepakt. Discriminatie is niet alleen grievend en kwetsend, maar zet ook verhoudingen tussen bevolkingsgroepen op scherp. Met name het tegengaan van uitsluiting op de arbeidsmarkt bij stageplaatsen krijgt topprioriteit van de overheid en het bedrijfsleven. Hiertoe worden doelstellingen geformuleerd waarop betrokken partijen elkaar kunnen aanspreken. Diversiteit van het personeelsbestand bij overheden en in het bedrijfsleven worden op planmatige en doelgerichte wijze nagestreefd.

Succesvolle en hoog opgeleide "rolmodellen" met verschillende culturele achtergronden en van verschillende nationaliteiten worden gestimuleerd contact te leggen met jongeren uit hun eigen doelgroepen om voor hen als voorbeeld te dienen en hen te adviseren over hun kansen en mogelijkheden in de samenleving.

De bestrijding van huiselijk geweld en eergerelateerd geweld, waarvan vooral vrouwen en kinderen slachtoffer zijn, behoudt onverminderd de aandacht. Bestaand beleid ten aanzien van preventie, opsporing en handhaving wordt voortgezet en indien nodig uitgebreid.

Het CDA wil criminaliteit op of via het internet bestrijden. Het gaat dan met name om bedreigingen, seksuele intimidatie, haatzaaien, maar ook om het verspreiden van computervirussen. Cybercrime houdt zich niet aan de landgrenzen en vereist daarom een nauwe internationale samenwerking. Scholen, ouders en eigenaren van websites die zich richten op kinderen, dragen gezamenlijk de verantwoordelijkheid voor het voorkomen van cyberpesten. De overheid dient hier een sturende rol in te vervullen.

Mensen worden gestimuleerd om gebruik te maken van mogelijkheden om zelf criminaliteit te voorkomen: via Burgernet, keurmerken, zoals het Keurmerk Veilig Wonen, etc.

Om overlast en verloedering van het publieke domein tegen te gaan, worden regels beter gehandhaafd. Met name in de grote steden tekent de urgentie daarvan zich af. Lichte overtredingen die grote ergernissen veroorzaken bij burgers, zoals hondenpoep, wildplassen, foutparkeren, graffiti en het zo maar op straat gooien van vuilnis worden aangepakt. Er komt een wettelijke mogelijkheid voor gemeentelijke ambtenaren om boetes op te leggen voor het begaan van dergelijke overtredingen.

Vangnetvoorzieningen zijn van belang voor leerlingen die moeilijk zijn te hanteren op school. Mogelijkheden voor deze groep om een verlengde schooldag te maken, zijn eveneens van betekenis. Middelen daarvoor wil het CDA wel koppelen aan prestatie-afspraken. Spijbelen en andere 'voortekenen' van voortijdig schoolverlaten worden vroegtijdig onderkend en serieus en consequent aangepakt. Nadat de reden voor het spijbelen is achterhaald, zullen passende (straf)maatregelen worden getroffen. Scholen krijgen daarvoor de ruimte die zij nodig hebben.

Via de gemeentelijke Centra voor Jeugd en Gezin en via andere maatschappelijke organisaties, waaronder scholen wordt aan alle ouders een gevarieerd aanbod van opvoedcursussen en - begeleiding aangeboden. Ouders van probleemjongeren gaan verplicht op een begeleidingscursus voordat deze jongeren afglijden naar het criminele circuit. Schade, veroorzaakt door baldadig gedrag van jongeren, mag niet op de samenleving afgewenteld worden. De jongeren en hun ouders zijn daarvoor aansprakelijk. Voor probleemjongeren wordt een elektronisch volgdossier aangelegd. Hulpverleners, politie en Openbaar Ministerie (OM) krijgen de verplichting om informatie aan te leveren, hebben hierin inzage en voeren overleg over de aanpak. Deze gegevens blijven beschikbaar nadat de jongere meerderjarig is geworden.

Een groot gedeelte van de overlast wordt veroorzaakt door probleemjongeren die zonder perspectief op opleiding of baan rondhangen. In het kader van tegengaan van overlast krijgen de officier van justitie of de burgemeester de bevoegdheid om zogenaamde openbare ordebevelen te geven aan personen die overlast veroorzaken, bijvoorbeeld door middel van alcohol- en verblijfsverboden. Aan deze jongeren moet, desnoods met dwang of drang, perspectief worden geboden om ze weer zicht te geven op een eigen toekomst. Gedacht wordt aan speciale campussen gericht op scholing en arbeidstoeleiding. Het CDA wil daar werk van maken. Ook hen moeten immers kansen worden geboden.

Minderjarige jongeren, die met een machtiging van de rechter een gedwongen (gesloten) behandeling ondergaan, moeten worden verplicht om deze af te maken, ook na het bereiken van de meerderjarige leeftijd. Om te voorkomen dat een jongere snel in herhaling valt, nadat hij is vrijgekomen, wordt hij intensief begeleid en wordt geïnvesteerd in scholing tijdens de detentieperiode.

Op dit moment bestaat de politie nog te veel uit autonome delen. Er moet een landelijke politieorganisatie komen. Het gezag over de politie blijft voor wat de openbare orde betreft bij de burgemeester en voor de rechtshandhaving bij de officier van Justitie. Door veiligheidsplannen, waarover gemeenteraden zeggenschap behouden, komen de regionale en lokale prioriteiten tot hun recht. Het beheer van de nieuwe politieorganisatie komt bij de rijksoverheid te liggen, zodat beslissingen ten aanzien van, onder meer de aanschaf van materieel en informatiesystemen snel genomen kunnen worden en voor de hele politieorganisatie op eenzelfde manier kunnen worden toegepast.

Het wordt eenvoudiger om telefonisch of via internet aangifte te doen. Met name voor middelgrote en kleine bedrijven is dit van belang. De politie neemt de aangifte onverwijld op. De politie zorgt ervoor dat slachtoffers op de hoogte worden gehouden van de voortgang van de zaak en betrekken ze desgevraagd bij het onderzoek.

Er wordt geïnvesteerd in omvang en kwaliteit van de rechercherende expertise om beter vervolg te kunnen geven aan zaken met opsporingsindicatie. Daarnaast vindt een uitbreiding plaats van rechercheurs die zich bezighouden met surveillance op het internet. Tot slot wordt de expertise op peil gebracht met betrekking tot financieel-economische criminaliteit.

Naast de landelijke DNA-databank wordt een landelijke sporendatabank opgericht waar forensisch-technische sporen worden opgeslagen die verzameld zijn op een plaats delict, maar waarbij nog geen dader gevonden is. Er komt een samenhangende, robuuste en toekomstgerichte informatiehuishouding voor de politie tot stand. Er komt voorts één communicatie- en informatiesysteem voor alle hulpverleningsdiensten, zodat bij calamiteiten optimaal samengewerkt kan worden.

Er wordt geïnvesteerd in nieuwe technologieën, zoals slimme camera's, die helpen misdrijven op te sporen en te voorkomen. Dit geldt ook voor technologieën om cybercrime tegen te gaan. Opsporingsbevoegdheden moeten worden aangepast aan de stand van de technologie. In het kader van het tegengaan van identiteitsfraude worden nieuwe identiteitsbewijzen zo snel mogelijk uitgerust met biometrische kenmerken. Het is van belang om de mogelijkheden en het gebruik van al deze nieuwe technologieën blijvend af te wegen tegen de privacybelangen van personen.

De bestuurlijke aanpak van georganiseerde criminaliteit wordt met kracht voortgezet. Gemeenten krijgen meer armslag om gegevens te verkrijgen over dubieuze ondernemingen door de reikwijdte van de wet BIBOB uit te breiden. Vergunningen worden niet verleend als het risico bestaat dat deze gebruikt gaan worden voor het plegen van strafbare feiten. Ditzelfde moet gelden voor de inschrijving van dubieuze ondernemingen in het register van de Kamer van Koophandel.

Het verhalen van criminele winsten bij individuele leden van criminele organisaties wordt eenvoudiger gemaakt. Justitie kan makkelijker beslag leggen op geld waarvan aannemelijk is dat dit is verkregen door het plegen van strafbare feiten. Om het witwassen tegen te gaan moet het voor politie en justitie mogelijk zijn om financiële bewegingen beter te kunnen volgen. Dit vergt verdergaande Europese samenwerking.

Ook wordt in Europees verband samengewerkt om informatie uit te wisselen om internationale netwerken bloot te leggen en aan te pakken. Dit alles om de sterk ontwikkelde financiële sector in Nederland van infiltratie door de onderwereld te vrijwaren en vitaal te houden. Hiertoe worden gezamenlijke onderzoeksteams opgericht en wordt informatie die beschikbaar is in het ene land, met het andere uitgewisseld.

Er wordt op een nieuwe manier gekeken naar straffen. Bekeken wordt hoe bij een persoon die een strafbaar feit heeft gepleegd effectief kan worden voorkomen dat hij in herhaling valt. De reclassering vervult daarbij een cruciale rol. Zo worden proeftijden verlengd zodat nog langere tijd na het uitzitten van de straf een titel aanwezig is om aan personen voorwaarden te stellen aan hun gedrag. Als veelplegers tijdens het proefverlof over de schreef gaan, moet de straf in zijn geheel opnieuw worden uitgezeten met inachtneming van een eventueel opgelegde (voorwaardelijke) straf en van de proportionaliteit van het delict. De mogelijkheid om bijzondere straffen, zoals een beroepsverbod, op te leggen, wordt uitgebreid.

Gevangenisstraffen staan niet op zich zelf; adequate nazorg na deze periode is van groot belang. Zo informeren gevangenissen gemeenten over het feit dat een persoon na afloop van zijn detentie in die gemeente wil wonen. Zij zorgen er samen met de gemeente voor dat een ex-gedetineerde zo mogelijk een woning en werk heeft. Een persoon komt alleen eerder vrij bij goed gedrag en als hij zich aan bepaalde voorwaarden houdt. Doet hij dit niet, dan wordt de rest van de straf ten uitvoer gelegd.

De feitelijke straf komt dichter in de buurt van de opgelegde straf te liggen. Voor minder ernstige delicten wordt het mogelijk naast een taakstraf elektronisch huisarrest op te leggen. De mogelijkheid om meerdere personen op één cel te plaatsen wordt uitgebreid. In beginsel worden gedetineerden geplaatst in een sober regime, hoe beter het gedrag hoe meer privileges een gedetineerde krijgt.

Personen die blijvend gevaarlijk zijn keren niet terug in de maatschappij. Categorieën TBS'ers die naar huidige maatstaven niet te behandelen zijn, blijven in een gesloten voorziening.

De Nederlandse rechtsstaat moet weerbaar zijn. Personen met een dubbele nationaliteit die terroristische misdrijven plegen, verliezen het Nederlanderschap en worden uitgezet en ongewenst verklaard, nadat zij hun straf hebben uitgezeten. Bij terroristische misdrijven gepleegd door personen met een Nederlandse nationaliteit dient in de strafmaat meer aandacht te komen voor de aantasting van de democratische rechtstaat. Gestreefd moet worden naar het verruimen van de mogelijkheden tot het ontnemen van het actief en passief kiesrecht.

De overheid krijgt de bevoegdheid eerder in te grijpen bij personen die als gevolg van een psychische aandoening een reëel bedreiging van de openbare orde vormen en veel overlast veroorzaken. Het criterium op grond waarvan personen gedwongen kunnen worden opgenomen in een psychiatrische inrichting wordt ruimer toegepast. Hiertoe komt een dwingender samenwerking tussen crisisopvang en GGZ tot stand. Personen die een gevaar vormen voor zichzelf of de omgeving of van wie het gedrag tot ernstige overlast leidt, kunnen worden gedwongen mee te werken aan een behandeling dan wel aan een verandering van hun woonomgeving.

De overheid helpt slachtoffers van ernstige geweldsdelicten die zich voegen in het straf-proces bij het op de dader verhalen van de schade die zij hebben geleden. Hieronder vallen ook de kosten die gemaakt worden voor juridische bijstand van het slachtoffer. De schadevergoeding voor de slachtoffers van dit soort ernstige delicten wordt, als dat nodig is, door de overheid voorgeschoten aan het slachtoffer en daarna verhaald op de dader. Het slachtoffer mag niet met lege handen blijven staan.

Hulpverlening aan slachtoffers van huiselijk geweld en/of van eer-gerelateerd geweld (via blijf-van mijn-lijfhuizen) moet worden verzekerd. De opvang wordt ook toegankelijk voor meisjes beneden de achttien jaar.

1.5 Asielbeleid

Met een Europees asielbeleid moet worden voorkomen dat- door specifieke maatregelen van afzonderlijke landen van de Europese Unie - de asielstromen zich verleggen naar het voor asielzoekers en mensensmokkelaars meest gunstige land. Tevens moet worden voorkomen dat landen eenzijdig een grootschalig generaal pardon invoeren terzake van illegalen.

Een Europees asielbeleid dient uit te gaan van het Vluchtelingenverdrag en de mensenrechtenverdragen, en te worden gebaseerd op goede praktijken die in de EU bestaan.

Procedures moeten in korte tijd worden afgerond, zodat betrokkenen snel duidelijkheid hebben over hun asielverzoek. Als het vaststellen van identiteit meer tijd kost of onderzoek naar traumata en andere medische aspecten nodig is, kan de eerste termijn (de AC-procedure) verlengd worden met nog eens 48 uur.

Verblijfsaanvragen op medische gronden moeten sneller worden afgehandeld. De benodigde capaciteit van de IND en het Bureau medische advisering dient daarop te worden afgestemd.

Personen met een verblijfsvergunning op medische gronden en hun gezinsleden met een verblijfsvergunning hebben toegang tot werk en scholing.

Asielzoekers die in afwachting zijn van een beslissing omtrent hun definitieve verblijfsstatus kunnen in aanmerking komen voor scholing en arbeid. Zij krijgen daarmee geen rechten tot de sociale zekerheid. Eventueel betaalde premies worden bij terugkeer naar het land van herkomst aan betrokkenen teruggegeven.

Asielzoekers die in (vervolg) procedure zijn voor een verblijfstatus in het kader van een asielverzoek en uit dien hoofde rechtmatig in Nederland verblijven, hebben recht op een goede opvang van rijkswege.

De asielopvang moet zodanig worden ingericht dat veiligheid en een goed leefklimaat gewaarborgd zijn. Daar hoort bij dat zoveel mogelijk voorkomen moet worden dat kinderen van asielzoekers veelvuldig moeten verhuizen.

De Internationale Organisatie voor Migratie (IOM) krijgt een nadrukkelijke rol bij terugkeer en het verkrijgen van (vervangende) documenten. Goed terugkeerbeleid vergt dat de samenleving in onderhavige gevallen in haar geheel meer gericht meewerkt aan het feitelijk vertrek van uitgeprocedeerde asielzoekers en illegale vreemdelingen. Dat vergt enerzijds een goede samenwerking tussen overheid en non-gouvermentele organisaties en kerken. Anderzijds moet aan mensen, voor wie geen documenten verkregen kunnen worden, waardoor zij niet uitgezet kunnen worden, een voorlopige verblijfstatus gegeven worden. Dat geeft duidelijkheid aan de asielzoekers en werpt een dam op tegen illegaliteit.

Met diplomatieke vertegenwoordigingen van andere landen moeten afspraken worden gemaakt over het zo snel mogelijk afhandelen van aanvragen voor vervangende reis- en identiteitsdocumenten. Indien na ommekomst van de wettelijke vertrektermijn nog geen vervangend reisdocument is ontvangen, wordt de opvang voortgezet zolang de betrokken vreemdeling kan aantonen dat hij activiteiten onderneemt om te voldoen aan de voorwaarden van de ambassade om zijn identiteit en/of nationaliteit aannemelijk te maken.

2 Vertrouwen in maatschappelijke organisaties

2.1 Vertrouwen in talent: ruimte voor onderwijs met een missie

Het CDA hecht aan de vrijheid van onderwijs. Aan de vrijheid om een school op te richten en de vrijheid om een school te kiezen naar eigen voorkeur en overtuiging. Scholen mogen volop hun identiteit tot uitdrukking brengen, in verbondenheid met de waarden van onze rechtsstaat.

De overheid zorgt voor een goede bekostiging per leerling, stelt de kerndoelen en eindtermen vast en zorgt voor waarborgen rond de kwaliteit van het onderwijs. Hoe het onderwijs wordt gegeven, hoe de middelen worden besteed is een verantwoordelijkheid van de scholen zelf. Ook de inspectie stuurt niet op de didactische aanpak van scholen. Er moet voldoende ruimte zijn om inhoudelijk het eigen profiel van de school invulling te geven.

Het CDA wil het onderwijs zo inrichten dat de leerlingen een ononderbroken ontwikkelingsproces kunnen doorlopen. Leerlingvolgsystemen en een verplichte eindtoets in het basisonderwijs helpen scholen, kinderen, en hun ouders om goede keuzes te maken in de leerloopbaan van hun kinderen. De Onderwijsinspectie kan dan ook beter beoordelen of de kerndoelen worden behaald.

Bekostiging en regelgeving moeten het kleinschalig organiseren van het onderwijs mogelijk maken en bevorderen. Het CDA wil nevenvestigingen beter bekostigen. De opheffingsnormen kunnen lager, met name op het platteland. Er komt een eenmalige extra impuls in kleinschalige onderwijshuisvesting. Het beter benutten van mogelijkheden van multifunctionele scholenbouw, biedt kansen om ook op het platteland voorzieningen in stand te houden. (Bestuurlijke) schaalvergroting mag niet tot monopolieposities leiden. Het CDA wil een toets op fusievoornemens, waarbij het belang van kinderen, hun ouders en de kwaliteit van onderwijs centraal staan.

De schoolboeken in het voortgezet onderwijs dienen niet voor kosten van de ouders te komen. De scholen voor voortgezet onderwijs krijgen daarom in hun financiering een adequate voorziening om zelf de benodigde schoolboeken voor de leerlingen te kunnen aanschaffen.

Scholen krijgen meer mogelijkheden om invulling te geven aan het onderwijs, via de (op te hogen) lump sum en door minder centrale regels. Wel moeten de verantwoording en de bestuursstructuur op orde zijn. De verantwoording aan ouders dient onder meer de pedagogische aanpak, overheadkosten en de financiën te omvatten: hoeveel middelen krijgt men als bestuur en wat doet men ermee? Scholen maken inzichtelijk welke resultaten zij bereiken. Als het niet goed gaat met de kwaliteit van de school, moeten ouders en overheid beter en sneller kunnen bijsturen.

Scholen krijgen meer financiële mogelijkheden om leraren een beter carrièreperspectief te bieden door prestatiebeloning en meer belonings- en functiedifferentiatie toe te passen. Dat moedigt leraren aan om zich verder te ontwikkelen en te scholen. Zij kunnen in een hogere schaal terecht komen en/of doorstromen naar hogere onderwijsvormen. De hogere beloning kan even goed bij praktijkdocenten als academici terecht komen. Daarover beslissen de scholen zelf. De overheid faciliteert dit door meer geld toe te kennen aan onderwijsinstellingen, en het houdt daarbij rekening met de extra problematiek in de grote steden.

Er komen landelijke (hogere) eindtermen voor de lerarenopleidingen. Scholen maken aan ouders en andere betrokkenen duidelijk of leerkrachten hun vakkennis en didactische vaardigheden op peil hebben gehouden.

Scholen kunnen aanspraak maken op verminderd inspectietoezicht gedurende een periode van vijf jaar, behoudens op het punt van het beantwoorden aan de kernwaarden van de rechtsstaat. Zij hebben dan ook extra ruimte om te innoveren. Voorwaarde is wel dat scholen aantonen dat zij hun kwaliteit op orde hebben, voortijdig schoolverlaten goed aanpakken, een sluitende aanpak van zorgleerlingen weten te realiseren en de medezeggenschap goed hebben georganiseerd. Deze scholen hebben een transparante begroting, inclusief een heldere budgetverdeling over scholen en een inzichtelijke bestemming van reserves. De verdeling van salarisschalen over taken is inzichtelijk voor derden, waaronder de ouders. Zo wordt helder hoe het management en de coördinatoren worden betaald in relatie tot degenen die lesgeven. De bevoegdheidsstructuur tussen schools en bovenschools management ligt duidelijk vast. De externe verantwoording is op orde.

Ook het mbo en hoger onderwijsinstellingen krijgen meer vrijheid. Keerzijde daarvan is dat men aangeeft hoe kwaliteit en een goede bestuursstructuur (intern en extern) gewaarborgd zijn. Men maakt duidelijk hoe de opleidingenstructuur eruit ziet en welke arbeidsmarktkansen de opleidingen bieden. Verder is opgenomen hoe het overleg met partners (bijvoorbeeld het regionale bedrijfsleven) en het aanpalende onderwijs is geborgd. Ook deze scholen dienen op een transparante en heldere manier inzicht te geven in en verantwoording af te leggen over de inzet van de middelen. Tot slot maken zij duidelijk dat de interne kwaliteitszorg is gegarandeerd. Een en ander maakt deel uit van een statuut dat de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen goedkeurt. Een landelijk herkenbare opleidingenstructuur is daarbij een ijkpunt. De inspectie ziet erop toe dat men de zelf geformuleerde doelstellingen haalt en kan zo nodig ingrijpen. Veel landelijke regels en toezicht kunnen dan vervallen.

Scholen garanderen aan ouders en leerlingen de wettelijke minimum onderwijstijd en doen er alles aan om lesuitval te voorkomen.

Het CDA vindt het van belang dat scholen alle - dus ook allochtone - ouders bij het onderwijs betrekken. Opvoedingsondersteuning aan ouders die hiervoor in aanmerking komen, kan duidelijk maken welke rol ouders kunnen vervullen bij het onderwijs en welke rol de school kan spelen bij de opvoeding. Het CDA roept scholen op uitwisselingsprojecten op te zetten zoals dat op dit moment reeds gebeurt bij de vriendschapsscholen in Rotterdam. Het uitwisselen van docenten en/of leerlingen tussen scholen zorgt voor meer kennis van elkaars achtergronden en cultuur. Er wordt veel energie gestoken in dit soort uitwisselingsprogramma's met scholen uit het buitenland. Dat moet ook in het binnenland mogelijk zijn. Ook lerarenopleidingen hebben een rol in het verdiepen van kennis van aanstaande leraren ten aanzien van de verschillende culturele achtergronden van hun leerlingen.

Scholen dienen intensief met de jeugdhulpverlening, het schoolmaatschappelijk werk en het welzijnswerk samen te werken en snel problemen te signaleren om te voorkomen dat leerlingen tussen wal en schip raken. De brede school biedt daarvoor veel mogelijkheden. De school wordt een trefpunt voor deze instellingen. De gemeente waarborgt de afstemming bij de signalering en doorverwijzing van leerlingen.

Het voorkomen van (taal)achterstanden bij kinderen begint bij de ouders. Nieuwkomers krijgen te maken met hogere scholingseisen als zij zich langjarig in Nederland willen vestigen, uiteraard met ontheffingsmogelijkheden voor bijvoorbeeld mensen met beperkte vermogens. Indien men dit weigert, volgen financiële sancties.

Ouders van kinderen met een grote (taal-)achterstand worden gestimuleerd om hun kinderen aan een groep 0 te laten deelnemen. Voor die leerlingen die bij uitstek gebaat zouden zijn bij deelname aan groep 0 kan deelname niet vrijblijvend zijn. De basisschool is hierbij verantwoordelijk voor een doorlopende leerlijn, het leerlingvolgsysteem en het personeelsbeleid. Leerlingen die een taalachterstand hebben, krijgen extra leesvaardigheidstrainingen. Scholen krijgen daarvoor meer middelen in de komende kabinetsperiode. De middelen om onderwijsachterstanden tegen te gaan, worden meer gericht op een aanpak aan de bron van de taalachterstanden. Vroegsignalering via het consultatiebureau is belangrijk voor het onderkennen van (potentiële) taalachterstanden en voor gerichte hulp bij de taalontwikkeling. Er komen extra middelen voor groep 0 ten behoeve van jonge kinderen met taalachterstanden, voor schakelklassen en voor verplicht volwassenenonderwijs aan nieuwkomers. Deze investeringen worden aangevuld met extra middelen voor scholen in het kader van de leerlingbegeleiding. Het speciaal onderwijs dient in staat te worden gesteld de noodzakelijke zorg te bieden aan leerlingen die daarop aangewezen zijn. Daarbij dienen wachtlijsten voorkomen te worden.

De bestaande middelen voor schakelklassen zijn ook in te zetten voor onderwijs buiten de reguliere lestijden (woensdagmiddag, weekenden, zomerscholen), op voorwaarde dat het onderwijs expliciet gericht is op het bestrijden van achterstanden bij leerlingen. De bestrijding van (taal- en onderwijs)achterstanden is - evenals de samenwerking tussen scholen, jeugdhulpverlening en justitie - vooral van wezenlijk belang voor de vitaliteit van grote steden.

De kwalificerende leerplicht geldt naar vermogen voor jonger tot 27 jaar. De kwalificatie kan in combinatie van werk en leren behaald worden.

Een grote uitdaging voor het onderwijs is gelegen in het terugdringen van het aantal mensen dat zonder beroeps- of startkwalificatie (diploma minimaal op havo- of mbo-2-niveau) de school verlaat. Een groot aantal jongeren komt hierdoor moeilijk aan de slag op de arbeidsmarkt. Dat is onacceptabel. In de onderwijsberoepskolom moet de samenwerking verbeteren, zodat er een vloeiende leerweg komt. Leerlingen kunnen eerder een vak leren op school. Dat vergt investeringen in praktijklokalen en een goede regionale samenwerking met bedrijven. Meer dan nu moet de loopbaan van de leerling centraal komen te staan. Anders dreigt al snel demotivatie. Dat geldt overigens ook voor zeer begaafde kinderen. Hen moet de mogelijkheid worden geboden te excelleren in een eigen leerroute.

Wetenschappelijk onderzoek en hoger onderwijs zijn wezenlijk voor de kracht van onze economie en cultuur. Nederland moet aansluiting houden bij de internationale top. Een breed geschoolde basis van hoger geschoolden is nodig voor onder meer onze arbeidsmarkt. Met name onderzoek dat toegepast kan worden is van belang. In een dergelijk klimaat is het belangrijk dat studenten en onderwijsinstellingen elkaar over en weer scherp houden. Dan krijgen we beter onderwijs en meer mogelijkheden om sneller te studeren. Daarom moeten leerrechten ingezet kunnen gaan worden bij alle instellingen die aan landelijke normen voldoen. Innovatiemiddelen worden ingezet om de kwaliteit van het onderzoek en onderwijs een impuls te geven. De collegegelden gaan niet omhoog om zo de toegankelijkheid van het hoger onderwijs te waarborgen. Onderzocht zal worden of een gereguleerd open bestel in het onderwijs voordelen kan bieden voor het Nederlandse onderwijsbestel, voordat eventueel tot invoering zal worden overgegaan. Wie snel studeert, mag leerrechten later gebruiken.

Doorstroming naar het hoger onderwijs moet niet worden belemmerd door selectie aan de poort. De voorspellende waarde voordat de student begonnen is aan de opleiding is te onzeker.

Om het hoger onderwijs toegankelijk te houden, blijven de studiefinanciering en het collegegeldkrediet bestaan. Ieder betaalt voor zover mogelijk zijn eigen studieschuld terug. Na uiterlijk 25 jaar wordt de studieschuld kwijtgescholden.

Leerrechten, die niet tijdens de initiële opleiding zijn besteed, moeten later ingezet kunnen worden met uitloop na 65-jarige leeftijd. Ook de restleerrechten kunnen worden verzilverd bij alle geaccrediteerde onderwijsinstellingen. De levensloopregeling maakt mogelijk dat tijdens scholing het inkomen doorloopt.

Het waarderen van elders verworven competenties (EVC's) wordt verder gestimuleerd. Dat vraagt ook een investering van bedrijven. Deze worden daartoe fiscaal gestimuleerd. De samenwerking met de kennisbank voor EVC's en het werken met erkenningsprocedures maken deel uit van de investering.

Het aandeel van scholing in de economie moet toenemen. Nieuwe opleidingen en opleidingsorganisaties moeten daaraan een bijdrage kunnen leveren. Ook instellingen die initiële opleidingen verzorgen, kunnen hieraan een bijdrage leveren.

2.2 Kunst en cultuur

De komende vier jaar moet er gekeken worden hoe verder aan een volwaardige culturele infrastructuur kan worden gebouwd. Het CDA wil een evenwichtige en evenredige verdeling van de financiële middelen voor het culturele voorzieningenniveau buiten de Randstad.

Geschiedenis is een belangrijk oriëntatiepunt voor een gemeenschap. Zoals het een mens vergaat die zijn geheugen verliest, zo vergaat het ook een samenleving, die zich niet bewust is van haar historie. De toekomst heeft een lang verleden. Daarvoor moet veel aandacht zijn en blijven in ons onderwijs. Dan gaat het met name om de waarden en normen die ten grondslag liggen aan onze samenleving. Cultuur moet een prominente plaats in het onderwijs hebben. Zij brengt jongeren in verbinding met vragen van zingeving, met dieptelagen van onze cultuur en met onderliggende waarden van onze samenleving.

Een rijk verleden ligt opgeslagen in ons roerend en onroerend cultureel erfgoed. Restauratie en onderhoud zijn daarom van belang. Het moratorium op het toevoegen van nieuwe monumenten op de Monumentenlijst wordt opgeheven. Ons erfgoed moet het complete verhaal van onze nationale geschiedenis vertellen. In deze tijd van ontkerkelijking en secularisatie verdient het behoud van religieus cultureel erfgoed bijzondere aandacht. Het werken met een fonds in plaats van met losse incidentele toekenningen van het budget is noodzakelijk voor een succesvol monumentenbeleid. Middels zo'n fonds worden monumenteneigenaren in de gelegenheid gesteld meerjarige restauratieplannen te (laten) ontwikkelen en uit te voeren.

Amateurkunst en volkscultuur moeten gestimuleerd worden, bijvoorbeeld door meer vruchtbare kruisbestuiving met de professionele kunstsector mogelijk te maken. Belemmeringen zoals knellende regelgeving moeten worden weggenomen.

De Friese taal en cultuur is, zoals ook het Nederlands, officieel erkend in Europees verband. Streektalen zijn een levend erfgoed die net als de streekeigen volkscultuur gekoesterd dienen te worden. Daarvoor is aandacht nodig in het onderwijs en onderzoek, in de media en bij de overheden.

Wat Nederland aan kunst en eigen cultuur te bieden heeft, is de moeite waard om in het buitenland te promoten. Dat moet professioneel en systematisch gebeuren door samenwerking tussen de kunstsector en de overheid.

2.3 Media

De publieke omroep en de daartoe behorende omroepverenigingen vervullen, door hun maatschappelijke verankering, een wezenlijke rol in onze democratische samenleving in al haar sociale en culturele dimensies. Deze rol wordt onafhankelijk van overheid en commercie vervuld door een bij wet geregelde organisatie. De overheid staat op afstand bij benoemingen, bij de verdeling van het totaalbudget en bij de programmering vanuit de publieke omroep.

Zeker nu mensen via het internet meer en meer zelf bepalen wanneer zij welk programma willen zien, komt er op aan dat de overheid voldoende geld ter beschikking stelt voor een bij de brede taakopdracht en de maatschappelijke functies van de publieke omroep behorend gevarieerd programmapakket. Zo moet er als onderdeel van een breder programma-aanbod voldoende budget zijn voor een goede nieuwsvoorziening, actualiteiten, de duiding van het nieuws en levensbeschouwelijke programma's enerzijds en voor cultuur en educatie anderzijds. Ook bij dit laatste wordt een variëteit maatschappelijk verankerde omroeporganisaties ingeschakeld.

De objectiviteit en meerzijdigheid van de nieuwsvoorziening, verzorgd door de NOS wordt bewaakt. Opinierubrieken horen niet bij de NOS thuis. De pluriformiteit van actualiteitenprogramma's, de duiding van het nieuws en van de levensbeschouwelijke en verdiepende programma's wordt gegarandeerd door voldoende budgetten en door een evenredige en evenwichtig geprogrammeerde zendtijd ter beschikking te stellen aan maatschappelijk verankerde omroepverenigingen. Inhoud en plaatsing van programma's staan niet los van elkaar. Bij het programmeren van uitzendingen voor cultuur en educatie wordt rekening gehouden met de veelkleurigheid van onze samenleving en dus met culturele minderheden.

De publieke omroep moet kunnen rekenen op een solide financiële basis die het mogelijk maakt haar opdracht te vervullen. De publieke omroep wordt minder afhankelijk van reclamegelden, doordat de overheid vanaf een bepaald moment van derving van reclame-inkomsten het gebrek aan middelen compenseert. Omroepverenigingen krijgen als maatschappelijke (non-profit) ondernemingen maximale ruimte om ook buiten het bestel actief te zijn en financiële middelen te genereren. Netto opbrengsten van verenigingsactiviteiten blijven beschikbaar voor de vereniging. De structuur wordt zo aangepast dat het omroepbudget veel minder gevoelig is voor korte termijnontwikkelingen bij de overheid en in de reclamemarkt. Educatie moet binnen de publieke omroep een aparte plaats en een organisatorische zelfstandigheid behouden.

De organisatievorm van de publieke omroep dient gericht te zijn op het waarborgen van de balans tussen enerzijds noodzakelijke eenheid en samenhang van de publieke omroep als geheel, en anderzijds de inhoudelijke, financiële en organisatorische zelfstandigheid van extern pluriforme ledengebonden organisaties.

Private ledengebonden organisaties vormen een essentieel deel van de publieke omroep omdat zij waarborgen dat het aanbod vorm krijgt en gemaakt wordt vanuit verschillende ideële uitgangspunten. Substantiële ledenaantallen, het bijdragen aan de programmatische verscheidenheid, aantoonbaar maatschappelijk draagvlak en invloed van leden zijn de eisen waaraan omroepverenigingen moeten voldoen. Bij het voldoen aan die eisen volgt een concessie voor vijf jaar. De eisen met betrekking tot representativiteit worden periodiek getoetst.

De huidige neventaken (o.a. internet en themakanalen) worden onderdeel van de hoofdtaak van de publieke omroep. De publieke omroep loopt voorop in innovatie. Er wordt substantieel geïnvesteerd in experimenten. Ook bij nieuwe media en experimenten is externe pluriformiteit uitgangspunt. Omroeporganisaties zijn daarbij dus van wezenlijk belang.

De omroepverenigingen krijgen de ruimte voor de in een digitaal tijdperk noodzakelijke crossmediale benadering. Het kunnen onderhouden van directe relaties met leden en andere burgers hoort daar bij, evenals meer ruimte voor maatschappelijk ondernemen via de samenwerking met anderen, waaronder uitgeverijen en andere producenten van informatie. Daartoe worden zonodig en voorzover mogelijk de mediawettelijke beperkingen weggenomen. Dit ondernemen blijft steeds gericht op de missie en identiteit, respectievelijk de thematische opdracht van de omroeporganisaties. Ondernemen blijft dus beperkt tot maatschappelijk ondernemen en de opbrengsten daaruit komen vanzelfsprekend ten goede aan het programma-aanbod van de omroeporganisaties.

Programma's en clips met seks, excessief geweld of kind- en vrouwonvriendelijke inhoud moeten niet worden getolereerd . De overheid zal de media aanspreken op hun maatschappelijke verantwoordelijkheid en afspraken met hen maken om zich te houden aan de maatschappelijke normen rond drugs en om (het overmatig gebruik van) alcohol niet verder te normaliseren.

Het CDA vindt de regionale en lokale media van grote betekenis voor de herkenbaarheid van onderlinge binding in steden, streken en provincies. Ook hier geldt dat de overheid moet bewaken dat meerzijdigheid en onafhankelijkheid van aanbieders in stand blijft. Omroepverenigingen mogen ook voor regionale omroepen desgewenst producties maken.

2.4 Gezondheid en welzijn

Burgers hebben recht op een goede gezondheidszorg. Om de gezondheidszorg ook naar de toekomst toe betaalbaar te houden en het welzijn te vergroten, dienen burgers, zorgaanbieders, zorgverzekeraars en overheid meer aandacht te besteden aan preventie en gezond leven (voeding, beweging). Er moet meer aandacht komen voor de preventie van ziekten binnen de curatieve zorg. De kennis en ervaring uit de preventieve gezondheidszorg moet voor dat doel benut worden.

Patiënten hebben wat te kiezen. Er komt meer zorg op maat en meer aandacht voor preventie. Zorginstellingen kunnen van elkaar gaan verschillen in medische aanpak en in kosten. Er komt ruimte voor privaat ondernemerschap, waarbij de zorg door de publieke waarborgen niet ondergeschikt kan zijn aan het financiële rendement. Dit resulteert in een betere zorg voor de patiënt. De voorkeur van het CDA gaat daarbij uit naar (maatschappelijke) ondernemingen die opbrengsten van een goede zorgverlening en organisatie ten goede laten komen aan een verdere verbetering van de zorg. De maatschappelijke onderneming moet dan ook een herkenbare status krijgen in het Burgerlijk Wetboek.

Minder regulering in de zorg is nodig. De toetreding van nieuwe aanbieders wordt vereenvoudigd. Ziekenhuizen en verzekeraars krijgen meer ruimte om te onderhandelen over inhoud, prijs of tarieven van behandelingen. Gaandeweg zullen verzekeraars, zorgaanbieders en verzekerden zelf bepalen tegen welke prijs en in welke vorm zorg verleend wordt, uiteraard binnen de kaders van de eisen die wettelijk worden gesteld aan de zorgkwaliteit, de omvang het voor ieder geldende basispakket en de premiedifferentiatie. De doelmatigheid die daarmee ontstaat, schept ruimte voor de noodzakelijke investeringen in de zorg en zorgt voor een reële premieontwikkeling. Deze noodzakelijke investeringen in de zorg zullen terug moeten vloeien naar de kern van de zorgrelatie; namelijk de relatie tussen de patiënt en de zorgprofessional en niet in nog meer management lagen. Zorgaanbieders beslissen zelf over investeringen en dragen daarvan de risico's. Dit komt de innovatie in de sector ten goede.

De risicoverevening aan verzekeraars wordt daarop aangepast: vooraf in plaats van achteraf.

De zorgsector moet meer mogelijkheden krijgen voor het beheren van en investeren in haar vastgoed, zoals dat ook gebeurd is in bepaalde sectoren van het onderwijs en de sociale huursector. De opbrengsten dienen ten goede te komen aan de zorgverlening. Voor de boekwaardeproblematiek wordt in overleg met de sector een oplossing gevonden.

Het CDA wil dat initiatieven in de `anderhalve lijnszorg' en de ketenzorg worden gestimuleerd. Daarbij gaat het om samenwerkingsverbanden (tussen de eerste en de tweede lijn in) van huisartsen, fysiotherapeuten, diëtisten en ziekenhuizen rondom veel voorkomende aandoeningen zoals diabetes, cara en obesitas. Deze behandelingen zijn klantvriendelijk, laagdrempelig en kostenefficiënt.

Voorkomen is beter dan genezen. Verpleegkundigen en verzorgenden spelen een prominente rol in de preventie, de eerste schakel van de zorgketen. Verpleegkundigen en verzorgenden krijgen een niet te onderschatten plaats in de zorgketen. Van hun competenties wordt meer gebruik gemaakt in de vorm van advies, instructie en begeleiding van bijvoorbeeld chronisch zieken (preventie). Ouderen en zieken kunnen dan langer zelfstandig zijn, terwijl de zorg toegankelijker wordt. Regelgeving die een gepaste taakverschuiving van arts naar verpleegkundige verhindert, moet verdwijnen of worden aangepast.

Het CDA neemt het initiatief voor maatregelen die het niet roken in sportkantines en in de horeca bevorderen.

Mensen moeten weten waar ze aan toe zijn in de zorg. Ze hebben recht op informatie. De overheid moet ervoor zorgen dat ziekenhuizen de kwaliteit en de prijs van behandelingen inzichtelijk maken. Ook verzekerden moeten weten waarvoor ze precies verzekerd zijn: wat is de inhoud van het zorgpakket, onder welke voorwaarden kan men zelf een ziekenhuis of een tandarts kiezen? Deze duidelijkheid moet zich uitstrekken tot de inhoud van alle polissen. Het CDA wil de bestaande wetten die betrekking hebben op de bescherming van de positie van de patiënt/consument bundelen in een Zorgconsumentenwet en daarin de patiëntenverenigingen uitdrukkelijk meenemen.

Geneesmiddelen maken deel uit van een behandeling. Door de geneesmiddelen te koppelen aan een Diagnose Behandelings Combinatie (DBC) worden verschillen tussen ziekenhuizen bij het voorschrijven van ook dure medicijnen duidelijk. Dat leidt tot prijsbewuster werken.

Het CDA kiest voor een privaat stelsel onder publieke voorwaarden. De zorgverzekeraars zijn verantwoordelijk voor een dekkend geheel aan voorzieningen. De overheid moet de bereikbaarheid, kwaliteit en financiële toegankelijkheid garanderen. Het zorgstelsel moet de voorwaarden voor een kwalitatief goede gezondheidszorg waarborgen. Een gezondheidszorg waarin de behandeling en verzorging niet alleen tegemoetkomt aan de noodzakelijke medische standaarden, maar waarin ook ruimte is voor persoonlijke aandacht, begeleiding en zorg op maat. Waarbij 'Kwaliteit van leven' de leidraad is voor professioneel handelen. Dit laatste is het terrein van de zorgprofessional. Om de kwaliteit van de zorgprofessional te kunnen waarborgen, ondersteunt het CDA de ontwikkeling van een landelijk Kwaliteitsregister. Op deze wijze wordt de kwaliteit van verplegen gewaarborgd.

De zorgtoeslag blijft de ruggengraat van de basiszorgverzekering en waarborgt dat mensen de premie voor het basispakket daadwerkelijk kunnen betalen, ook als zij een laag of middeninkomen hebben. Bij premiestijgingen komt hun besteedbaar inkomen niet in de verdrukking. De draagkracht van het huishoudinkomen blijft leidend bij de toekenning van de zorgtoeslag.

De vraag naar zorg zal de komende tijd behoorlijk toenemen. Het is van belang dat jongeren voor de gezondheidszorg kiezen. Alleen zo is de toegankelijkheid van de zorg te garanderen en zijn wachtlijsten te vermijden. Het beroep van arts en verpleegkundige moet aantrekkelijk zijn. Dat vraagt om een positieve voorlichting van leerlingen, om goede en voldoende stageplaatsen, om een goed loopbaanperspectief, om goede mogelijkheden voor bij- en nascholing en om een arbeidsklimaat waarin de mensen die feitelijk aan het bed staan ook gewaardeerd worden. Ook om die reden is het goed de bureaucratie en de overmatige regelgeving te bestrijden en de ruimte voor nieuwe initiatieven te vergroten.

Het CDA kiest voor een privaat stelsel onder publieke voorwaarden. De zorgverzekeraars zijn verantwoordelijk voor een dekkend geheel aan voorzieningen. De overheid moet de bereikbaarheid, kwaliteit en financiële toegankelijkheid garanderen. Het zorgstelsel moet de voorwaarden voor een kwalitatief goede gezondheidszorg waarborgen. Een gezondheidszorg waarin de behandeling en verzorging niet alleen tegemoetkomt aan de noodzakelijke medische standaarden, maar waarin ook ruimte is voor persoonlijke aandacht, begeleiding en zorg op maat. Waarbij 'Kwaliteit van leven' de leidraad is voor professioneel handelen. Dit laatste is het terrein van de zorgprofessional. Om de kwaliteit van de zorgprofessional te kunnen waarborgen, ondersteunt het CDA de ontwikkeling van een landelijk Kwaliteitsregister. Op deze wijze wordt de kwaliteit van verplegen gewaarborgd.

De behoefte aan kortdurende, lichaamsgebonden zorg na ontslag uit het ziekenhuis is onderdeel van de behandeling. Deze kortdurende (korter dan een jaar), op herstel gerichte zorg wordt daarom vanuit de AWBZ overgeheveld naar de zorgverzekeringswet. Hierdoor ontstaan nieuwe samenwerkingsverbanden tussen thuiszorg, verpleeghuizen en ziekenhuizen. Ook zorghotels en thuiszorgorganisaties dingen om de gunsten van de klant.

De AWBZ blijft een volksverzekering voor de niet op genezing gerichte zorg die langer duurt dan één jaar, zoals de zorg voor lichamelijk en verstandelijk gehandicapten en mensen met een chronische psychische aandoening. Het wonen maakt op termijn niet langer deel uit van de AWBZ. Voor huisvesting kunnen normale huren gaan gelden. Wie een woning huurt, kan - afhankelijk van het inkomen - een beroep doen op huurtoeslag. Dat geldt ook voor wie in een zorgcentrum woont, zodat goed wonen voor iedereen betaalbaar blijft. Wanneer er een eigen woning gehuurd wordt, zal de intramurale eigen bijdrage vervallen. Mensen gaan niet dubbel betalen. Wel kunnen instellingen in plaats van huur een eigen bijdrage vragen voor het gebouw. Ook daarvoor wordt zonodig een huurtoeslag verstrekt. Op deze manier blijven de identiteit en het leefklimaat van een instelling gewaarborgd en worden kwetsbare groepen, zoals verpleeghuisbewoners, ontzien.

Nieuwe woon-zorgconcepten krijgen de ruimte. Instellingen kunnen huisvesting op maat aanbieden. De cliënt krijgt meer invloed en bepaalt zelf hoe hij of zij woont. Het wonen in een grote instelling blijft mogelijk. Het persoonsgebonden budget en de huurtoeslag maken het mensen mogelijk om zoveel mogelijk zorg en huisvesting op maat te ontvangen in een omgeving die men zelf verkiest. Niet het indicatieorgaan, maar de cliënt zelf bepaalt immers welke woonvorm hij of zij wenst.

Wanneer de AWBZ is teruggebracht tot een verzekering voor langdurige verzorging en verpleging, kiest het CDA ondubbelzinnig voor het afschaffen van de eigen bijdragen. Alleen eigen betalingen voor bijvoorbeeld wonen en verblijf blijven mogelijk. Deze bijdragen worden voortaan rechtstreeks voldaan aan diegenen die deze voorzieningen ter beschikking stelt. Zonodig is voor de overige verblijfskosten een beroep op de gemeenten mogelijk. Gemeenten zullen in staat worden gesteld aan deze vraag te voldoen.

Mensen kunnen er voor kiezen om de zorg waar zij recht op hebben zelf in te kopen. Het CDA wil het PGB behouden om dynamiek, maatwerk en klantgerichtheid in de zorg te bevorderen. De bureaucratie rondom het PGB moet worden afgeschaft. De enige tegenprestatie van de PGB-houder is dat deze bij de instanties meldt dat hij of zij het persoonsgebonden budget als vergoeding heeft uitbetaald.

Het aantal mensen dat getroffen wordt door dementie zal in de komende jaren aanzienlijk toenemen. Voorzieningen, met name woonvoorzieningen, voor dementerende mensen (en hun partner) moeten daarom zo snel mogelijk aan de snel toenemende vraag voldoen.

Goede zorg aan het einde van iemands leven is van groot belang. Naast professionele hulp is er veel inzet van mantelzorgers. Echte palliatieve zorg voor degenen die zijn uitbehandeld in het ziekenhuis gaat deel uitmaken van de AWBZ. Mensen moeten kunnen kiezen of en waar zij palliatieve zorg willen krijgen: thuis, in een hospice of in een verpleeghuis of -instelling. Verschillen in vergoedingen zullen daarmee verdwijnen.

De zorgkantoren in de AWBZ verdwijnen. De uitvoering van de AWBZ en de basisverzekering vindt plaats bij een zorgverzekeraar naar keuze. Afstemming tussen langdurige en niet op herstel gerichte zorg uit de AWBZ en zorg die vergoed wordt door de basisverzekering komt op die manier vanzelf tot stand zonder ingewikkelde stelselherzieningen. Maatregelen ter beperking van de bureaucratie in de zorg en het scheiden van wonen en zorg zullen niet ten koste gaan van de feitelijke hulpverlening, ook niet als er sprake is van tegenvallende opbrengsten.

Het persoonsgebonden budget krijgt ook binnen de WMO een prominente plaats. Dit biedt burgers de nodige vrijheid om hulp op maat te krijgen. Er valt meer te kiezen, overigens alleen voor wie dat zelf kan en wil.

Het afbreken van een zwangerschap is een verstrekkende stap. Mensen moeten in staat zijn om een weloverwogen keuze te maken. Het CDA houdt vast aan de wettelijke bedenktijd en pleit voor onafhankelijke voorlichting over alternatieven (adoptie) en (psychische) gevolgen. Zwangerschapsafbreking moet beperkt blijven tot echte noodsituaties. Extra aandacht moet uitgaan naar het voorkomen van ongewenste zwangerschappen.

Zwangerschapsafbreking buiten de wettelijke toegestane grenzen en levensbeëindiging bij pasgeborenen is strafbaar. Toch kan in noodsituaties een dergelijke keuze soms in beeld komen. Het CDA onderschrijft in die gevallen het nut en de noodzaak van een deskundigencommissie ter ondersteuning van het werk van de officier van justitie.

Het speciaal tot stand brengen van embryo's voor wetenschappelijk onderzoek is verboden in Nederland. Het CDA wil dit verbod handhaven. Gesignaleerde onzekerheden en onduidelijkheden in het huidige wettelijke kader - de Embryowet - moeten (op korte termijn) worden weggenomen.

De overheid bevordert in eigen land en in de Europese Unie onderzoek naar technieken die een alternatief vormen voor onderzoek waarbij embryo's gebruikt worden. Het bevordert ook onderzoek dat het succespercentage van in vitro-fertilisatiebehandelingen (IVF) verhoogt en voorkomt dat restembyro's ontstaan. Handelingen met embryo's worden alleen toegestaan voor zover deze in het rechtstreeks belang zijn van het beginnend menselijk leven binnen het kader van de zwangerschap. Het verbod op het creëren van embryo's ten behoeve van experimenten, kloneren en stamceltherapie blijft van kracht.

Gentherapie gericht op somatische cellen moet kunnen worden beproefd, die op de kiembaan niet. Octrooiering van menselijke genen mag niet worden toegestaan.

Een goede zorg, begeleiding en ondersteuning van mensen voor wie de stervensfase is aangebroken, moeten gegarandeerd zijn. Palliatieve zorg moet breed beschikbaar zijn. Zorgverleners en patiënten moeten bekend worden gemaakt met de richtlijn bij palliatieve sedatie. Het Openbaar Ministerie ziet toe op strikte handhaving van de wettelijke normen bij euthanasie.

Meer dan tweehonderd mensen per jaar overlijden terwijl zij wachten op een donororgaan. Het CDA wil het aantal donoren daarom vergroten. Gemeenten spelen via de afdeling burgerzaken een stimulerende rol bij de registratie. In het verlengde daarvan pleit het CDA voor nader onderzoek naar de effecten van een stelsel waarbij mensen explicieter kiezen of zij wel of geen donor willen zijn. De organisatie in en om ziekenhuizen moet er voorts op gericht zijn iedere donatie te realiseren.

Het CDA wil zo spoedig mogelijk een verbod op dierproeven voor niet-medische doeleinden. Er zijn voldoende alternatieven voorhanden.

2.5 Betaalbaar en leefbaar wonen

Er moeten meer en ook meer passende woningen worden gebouwd door scherpe prestatieafspraken tussen het ministerie van VROM, gemeenten, woningcorporaties en investeerders op basis van een gemeentelijke woonvisie.Bij het opstellen van die visie worden huurders en/of organisaties van huurders worden betrokken. Gemeenten en provincies investeren om de bouw van meer woningen mogelijk te maken. En om wijken en buurten zo in te richten dat mensen er leefbaar en veilig kunnen wonen. Daarbij streeft het CDA naar een integrale aanpak van de totale woningmarkt. Voor mensen met een laag inkomen, komen daarnaast meer betaalbare woningen beschikbaar. Bij de afspraken wordt ook de hoogte van kavelprijzen betrokken. Op basis van de waarde van het gemeentelijk onroerend goed (de stille reserve) kunnen de gemeenten extra investeringen in woningen en in leefbaarheid doen. De woningbouw moet ook worden bevorderd door de procedures rond bestemmingsplannen, bouwvergunningen en dergelijke te versnellen. Gelijkwaardigheid tussen contractpartijen is een absolute voorwaarde om tot prestatieafspraken te komen. Het CDA staat een integrale benadering van de woningmarkt voor en zal eenzijdige ingrepen op de koop- of huurmarkt voorkomen

Woningcorporaties nemen hun verantwoordelijkheid als maatschappelijke onderneming en bouwen meer woningen, waarbij zij extra aandacht besteden aan betaalbare woningen voor starters, jongeren en ouderen. Ook investeren zij samen met gemeenten in oude wijken in grote en kleine steden. Met name in bepaalde wijken in grote steden moeten meer duurdere woningen komen. De ISV-systematiek wordt hierbij gehandhaafd, waarbij nadrukkelijk aandacht dient te komen voor het passend maken voor de toekomstige gevolgen van demografische ontwikkelingen.

Woningbouwcorporaties zijn maatschappelijke ondernemingen, die de ruimte moeten krijgen om hun maatschappelijke verantwoordelijkheid waar te maken. Zij beheren niet alleen de woningen, maar investeren ook in de leefomgeving. Zij kunnen bijvoorbeeld combinaties van wonen en zorg maken, in maatschappelijk vastgoed investeren en financiële problemen van huurders vroeg signaleren.

Het CDA wil dat mensen meer vrijheid hebben om te kiezen waar en hoe men wil wonen. In de prestatieafspraken van gemeenten, woningcorporaties en investeerders -waarbij huurders en/of organisaties van huurders worden betrokken- moet veel meer aandacht zijn voor specifieke woonwensen van jongeren, gezinnen en ouderen. Beperkte woningtoewijzing mag alleen als een gemeente niet veel nieuwbouw kan realiseren of bij herstructurering van een bestaande wijk. Mensen moeten ook makkelijker een eigen huis kunnen ontwerpen.

Het CDA is voor het verder verruimen van het huurbeleid, onder voorwaarde dat de woningbouwproductie krachtig gestimuleerd wordt. Hierdoor kan via toewijzing passender worden gewoond. De meeropbrengst voor de woningbouwcorporaties dient geïnvesteerd te worden in het betaalbaar houden van de huren. Dat alles kan ook meehelpen om de kloof tussen eenzijdig goedkope en eenzijdig dure gebieden in stad en regio te beslechten en komt daarmee tevens tegemoet aan de wens van de vier grote steden. Tezamen met een extra rijksinvestering in de huurtoeslag van enige honderden miljoenen euro's in de komende periode wordt toegegroeid richting lastenmaximering.

Gemeenten, ook kleinere, moeten groener worden om de leefbaarheid van wijken en gezondheid van mensen te verbeteren. Er komt afstemming tussen bouwprojecten van randgemeenten van steden en bouwprojecten in steden. Dit om herstructurering van oude stadswijken prioriteit te geven en zo te voorkomen dat door Vinexlokaties de middenklasse uit de stad wegtrekt.

Het CDA wil het eigen woningbezit blijvend bevorderen onder meer door de hypotheekrenteaftrek te behouden in de huidige vorm. Het CDA wil verder sociale koop en maatschappelijk gebonden eigendom bevorderen. Het CDA nam eerder het initiatief om te komen tot een fonds waardoor starters makkelijker kunnen lenen. Dit fonds moet een extra impuls krijgen. De mogelijkheden voor starters op de woningmarkt wordt zo vergroot. Het CDA besteedt aandacht aan eigendomsneutrale vraagondersteuning van het wonen.

Duurzame investeringen in onderhoud van huizen wordt gestimuleerd. In de bestaande voorraad woningen is de meeste energiewinst / duurzaamheid te organiseren. Bovendien draagt het bij aan duurzame innovatie, werkgelegenheid en herwaardering van oude stadswijken. In de vorm van een aanvangsinvestering/gefaciliteerde lening via een revolving fund of PPS kan dit invulling krijgen. Het revolving fund kan gevuld worden door bestaande bedragen vanuit economische zaken en VROM, Fonds Economische Structuurversterking (FES) en (een deel van de) energiebelastingopbrengsten. Uitvoering moet simpel via één loket met beslissingsbevoegdheid.

3 Vertrouwen in een sociaal Nederland

3.1 Een sociaal Nederland, met als topprioriteit werkzekerheid

De levensloopregeling ondersteunt mensen bij hun loopbaan in een snel veranderende arbeidsmarkt. De levensloopregeling beoogt mensen te ondersteunen in zorg, scholing, ondernemerschap, afbouw van de loopbaan, vroegpensioen en een tweede carrière. Het spaarloon blijft bestaan.

De levensloopregeling wordt een individuele spaarverzekering voor periodes van minder inkomen. Een soortgelijke regeling moet er komen voor zelfstandigen. De levensloopregeling is er ter financiering van o.a. : onbetaald verlof (wat nu al kan) voor zorg, ouderschapsverlof; een periode tussen twee banen in; een inkomensaanvulling als men minder gaat verdienen bij een carrièrestap of deeltijdwerk; een inkomensaanvulling bij aanvaarding van een minder belastende functie aan het einde van de loopbaan of bij vroegpensioen; een inkomen tijdens de opstart van een eigen bedrijf, als het bedrijf nog niet voldoende inkomsten genereert.

De werkgeversbijdrage moet gericht gegeven kunnen worden: alleen aan diegenen die meedoen aan de levensloopregeling. Dat bevordert collectieve regelingen. Voor jonge mensen wordt de kredietfaciliteit interessant, omdat die fiscaal ondersteund wordt. Het CDA wil een leven lang leren stimuleren. Als mensen de levensloopregeling gebruiken om scholing te volgen, krijgen ze een scholingsverlofkorting (vergelijkbaar met de ouderschapsverlofkorting).

In CAO's kunnen maatwerk-afspraken over scholing en van `werk naar werktrajecten' bij ontslag gemaakt worden. Het wordt aantrekkelijk om de ontslagvergoeding te investeren in scholing. Bij de hoogte van de ontslagvergoeding gaan eerdere investeringen in de scholing, de arbeidsmarktpositie en employability (weerbaarheid) van de werknemer op de arbeidsmarkt nadrukkelijk meewegen. In dit verband wordt bezien of en in welke mate de overdracht aan sociale partners van de WW kan bijdragen aan het voorkomen van werkloosheid en investeren in inzetbaarheid.

Het ambtenarenrecht wordt gelijkgetrokken met het arbeidsrecht in het Burgerlijk Wetboek.

Om schommelingen te voorkomen wordt in de sociale zekerheid toegewerkt naar structureel kostendekkende premies voor werkgevers en werknemers. Een verantwoorde loonkostenontwikkeling is van groot belang om onszelf niet uit de markt te prijzen, de werkgelegenheid te behouden en om loonopdrijving in de collectieve sector te voorkomen. Het CDA vertrouwt erop dat sociale partners een verantwoorde loonkostenontwikkeling zullen afspreken.

Persoonlijke dienstverlening biedt veel eenvoudige werkgelegenheid. De loonkosten voor werkgevers worden verlaagd, zodat er meer banen komen. Voor werkenden is het belangrijk dat de inkomensval voor de werknemer voorkomen wordt. De arbeidskorting wordt zo ingezet dat zij de participatie bevordert en de toeslagen worden beter vormgegeven. Uitgangspunt is dat iemand die kan werken en dat dan ook doet er altijd op vooruit moet gaan ten opzichte van zijn uitkeringssituatie. Gedurende twee jaar kunnen werkgevers iemand in dienst nemen tegen het huidige minimumloonniveau van 21 jaar. Het is van belang dat werkgever en werknemer aan het begin van het traject beiden de intentie hebben om na twee jaar met elkaar verder te gaan tegen regulier loon of CAO-loon. De werkgever vergoedt als tegenprestatie de kosten van scholing van de werknemer tot tenminste 10% van het wettelijk minimumloon. Mensen kunnen zich zo via werk en scholing beter kwalificeren voor de arbeidsmarkt via zogenaamde opstapbanen. Het CDA wil geen nieuwe permanente subsidiebanen, maar mensen perspectief geven op regulier werk. Daarna moet de werkzoekende perspectief hebben op een normale baan met CAO-loon bij de werkgever.

De belastingstructuur wordt meer gericht op het stimuleren van arbeidsdeelname en economische zelfstandigheid. Voor jongere generaties wordt het werken aantrekkelijker gemaakt. Ouders met kinderen behouden keuzevrijheid in de verdeling van arbeid en zorg onderling. Ook de doorgroei van kleine deeltijdbanen naar grotere deeltijdbanen wordt gestimuleerd. De eerste en tweede loonschijf worden samengevoegd. Dat gaat samen met een verhoging van de arbeidskorting, die vervolgens geleidelijk afgebouwd wordt naarmate het inkomen toeneemt. De toeslagen worden beter vormgegeven.

Gemeenten krijgen de financiële en bestuurlijke verantwoordelijkheid voor de Centra voor Werk en Inkomen, de sociale werkvoorziening (WSW) en de Wet Werk en Bijstand. Zij gaan samenwerken op regionaal niveau. Het CWI en de gemeenten in de regio zijn de spil in de arbeidsbemiddeling en reïntegratie op maat. Reïntegratie en arbeidsmarktbeleid komen zo in een hand. Dat zal de kwaliteit en effectiviteit van reïntegratie verbeteren doordat er vroeger in het proces daadkrachtig kan worden ingezet op het juiste reïntegratietraject. Een dergelijk samenhangend beleid geeft de gemeente de mogelijkheid te besparen op de bijstand. Er komt daarom voor gemeenten één fonds voor reïntegratie en integratie. De WSW-infrastructuur kan gebruikt worden voor het toeleiden van mensen die een grotere afstand hebben tot de arbeidsmarkt. Door mensen gericht te begeleiden in hun werkzaamheden zal hun productiviteit en zelfstandigheid groeien. Het aantal banen in de sociale werkvoorziening wordt uitgebreid.

De financiering van gemeentelijke taken is de komende kabinetsperiode onderwerp van onderzoek. De verdeling van budgetten moet recht doen aan de lokale problematiek.

Het CDA wil de talenten van oudere werknemers blijven benutten. Om het laatste deel van de loopbaan met plezier te kunnen blijven werken kennen veel pensioenregelingen deeltijdpensioen en flexibele pensionering. Het CDA wil dat de levensloopregeling gebruikt kan blijven worden voor deeltijdpensioen. Ook moet de regelingen aangewend kunnen worden als inkomensaanvulling bij het aanvaarden van een minder belastende functie.

Voor ouderen die daarvoor kiezen, moet het mogelijk zijn ook na 65 jaar te werken met behoud van AOW. De AOW-leeftijd wordt niet geflexibiliseerd, maar het wordt juridisch en praktisch eenvoudiger voor werkgever en werknemer om na 65 jaar op basis van een nieuwe arbeidsovereenkomst door te werken, als men dat wil. Het CDA wil een leven lang leren stimuleren. Ook de overheden stimuleren langer doorwerken van hun personeel.

Een 40-urige werkweek wordt bevorderd om schaarste aan personeel te voorkomen, de loonkosten in de hand te houden en een beter financieel draagvlak te creëren voor pensioenvoorzieningen. De overheid geeft daartoe als grootste werkgever het voorbeeld waarbij werknemers de vrije keuze hebben tot een langere werkweek en daarvoor in salaris worden gecompenseerd.

Participatie van vrouwen moet de komende jaren een stevige impuls krijgen. Daarbij geldt gelijke beloning voor mannen en vrouwen voor gelijke functies en prestaties.

3.2 Een sociaal Nederland, met inkomenszekerheid

Het CDA heeft de afgelopen jaren gewerkt om inkomenszekerheid via de WW, WIA, AOW en toeslagen voor de toekomst te waarborgen. Het CDA heeft ook gewerkt aan solide financiën om toekomstige lastenstijging door vergrijzing het hoofd te bieden. Het CDA zal dat beleid voortzetten en wil: de AOW handhaven als welvaartsvast basispensioen op 65 jaar; de pensioenaftrek in stand houden om ons solidaire pensioensysteem overeind te houden; de hypotheekrenteaftrek behouden om het eigen woningbezit te bevorderen, ook voor de middeninkomens; de kinderbijslag inkomensonafhankelijk te houden voor alle gezinnen om zo de solidariteit tussen huishoudens met en zonder kinderen te waarborgen; de zorg op grond van de AWBZ niet afhankelijk van het gespaarde vermogen te laten worden.

Iedereen behoudt de mogelijkheid om fiscaal vriendelijk te sparen voor een pensioen. In veel pensioenregelingen kan het pensioen desgewenst eerder of later dan op het 65ste jaar worden opgenomen, al dan niet in deeltijd. Pensioenfondsen (en verzekerde regelingen) zorgen ervoor dat de inspraak van gepensioneerden royaal geregeld is, zoals ook afgesproken is met de ouderenbonden.

De sociale verzekeringen hebben als functie het bieden van zekerheid in besteedbaar inkomen en welstand bij ouderdom, werkloosheid of arbeidsongeschiktheid. Het aantal arbeidsongeschikten is teruggelopen. Daardoor kan voor volledig duurzaam arbeidsongeschikten, ook voor WAO`ers, WAZ'ers en Wajong'ers, de uitkering worden verhoogd van 70% naar 75% en kan de Pemba-boete worden afgeschaft.

De werkhervattingsregeling gedeeltelijk arbeidsgeschikten (WGA) wordt per sector / onderneming (bij voorkeur privaat) uitgevoerd. Dit maakt het mogelijk om - in goed overleg tussen werkgever en werknemers - te komen tot een ketenaanpak van kwaliteit van de arbeid, preventiebeleid, actief verzuimbeleid en reïntegratie, zo vroeg mogelijk in het traject van ziekte of arbeidsongeschiktheid. Hierdoor wordt de kans op herstel en reïntegratie optimaal benut. Bij optimale benutting van de gedeeltelijke verdiencapaciteit past een loongerelateerde uitkering voor het arbeidsongeschiktheidsdeel. Werkgevers en werknemers zijn verantwoordelijk voor de uitvoering van de werkhervattingregeling gedeeltelijk arbeidsongeschikten. Indien reïntegratiebedrijven worden ingezet, worden ze afgerekend op slagingspercentages.

Inkomensbeleid is een zaak van de rijksoverheid. De lastenmaximering wordt zo vormgegeven dat mensen meer zekerheid hebben over hun draagkracht. In de normering van het minimumloon en de toeslagen voor huur, zorgpremie en kinderen wordt rekening gehouden met de noodzakelijke kosten van bestaan. De toeslagen voor huur, zorgpolis, kinderopvang en kindertoeslag (vanaf 2008) worden genormeerd; de percentages moeten wettelijk worden vastgelegd. Die percentages zijn: 15% voor de huur, 10% dan wel 5% voor de zorg (afhankelijk van de mate van zogenaamde nominalisering) en 10% voor de kosten van kinderen. Met name voor alleenstaanden wordt de huurtoeslag verbeterd, zodat de armoedeval vermeden wordt: werken moet lonen. De kostennormen worden zodanig vastgesteld, dat de bijzondere bijstand voor bijzondere kosten kan fungeren. Voor de doelmatigheid dienen de uitvoeringsorganen over gekoppelde gegevens te beschikken van de Gemeentelijke Basis Administratie (GBA) en WOZ-administratie. De verschillende heffingskortingen, aftrekposten voor bijzondere kosten worden vereenvoudigd en gestroomlijnd.

Gemeenten voeren de Wet Werk en Bijstand uit. Om armoede te voorkomen, is goede en gerichte voorlichting nodig over voorzieningen om zo het `niet-gebruik' daarvan terug te dringen. Ook laagdrempelige gestandaardiseerde aanvraagprocedures en formulieren kunnen helpen, evenals correcte en actieve bejegening van cliënten door gemeentelijke en andere overheidsdiensten.

Overkreditering kan tot een problematische schuldsituatie leiden. Het CDA wil dat de overheid een convenant met kredietverstrekkers afsluit over het leenplafond en centrale registratie. Voor de bestaande gevallen van overkreditering is schuldhulpverlening van groot belang. Schuldhulpverlening door gemeenten wordt door de rijksoverheid gestimuleerd en ondersteund. Alimentatie wordt waar nodig centraal geïncasseerd en uitbetaald. Indien mogelijk wordt bij niet nakomen van de afgesproken omgangsregeling een financiële sanctie opgelegd. Onderzocht wordt of dit ook nodig is voor de bijdrage van de ouders (Wsf) aan de studiekosten van hun studerende kinderen.

Het CDA wil onderzoeken hoe een zwangerschaps- en bevallingsuitkering voor zelfstandigen en meewerkende partners vormgegeven kan worden.

Het CDA wil evenwichtige beloningsverhoudingen bevorderen en doet een appèl op ondernemingen en hun aandeelhouders. Zij hebben een morele verantwoordelijkheid om excessieve beloningen terug te dringen. Het CDA verwacht dat de nieuwe wettelijke informatieplicht aan de ondernemingsraad over beloning evenwichtige verhoudingen binnen ondernemingen zal stimuleren. Aandeelhouders krijgen volledige transparantie in alle beloningscomponenten van bestuurders en commissarissen en zeggenschap daarin. Het CDA vindt dat maatschappelijke ondernemingen een extra verantwoordelijkheid hebben vanwege hun maatschappelijke doelstelling en verwacht dat zij via een governance-code de topinkomens matigen.

Het CDA zet erop in dat inkomens en bezoldigingen van ambtenaren en bestuurders bij de overheid, overheidsbedrijven en bestuurders bij de overheid en daar waar de overheid een meerderheidsbelang heeft, niet hoger zijn dan het inkomen van de minister-president. Ook in sectoren als de zorg, het onderwijs en de volkhuisvesting worden de lonen gematigd en is daarbij het ministerssalaris richtinggevend.

Het CDA wil dat het hoogste tarief voor belasting op nalatenschappen wordt gelijkgetrokken met het hoogste tarief van de inkomstenbelasting.

4 Vertrouwen in een ondernemend Nederland

4.1 Nederland concurrerend en vernieuwend

Het Innovatieplatform adviseert over innovatie-, industriebeleid en bevordering van ondernemerschap en zal bestaande adviesorganen op dit domein gaan integreren, zodat overlap, dubbelingen en bureaucratie verdwijnen. Het platform richt zich vooral op sectoren en onderzoek waar Nederland sterk in is of kan worden: de sleutelgebieden moeten verder ontwikkeld worden.

Onnodige belemmeringen voor het starten van een bedrijf aan huis worden weggenomen. Het doorstarten en uitbreiden van een onderneming wordt gemakkelijker gemaakt. Vaak is het aannemen van personeel een drempel voor zelfstandige ondernemers vanwege de kosten en de met personeel gepaard gaande regels en administratie, waarbij in sommige situaties de balans tussen rechten en plichten zoek is.

Het CDA wil het klimaat voor ondernemerschap verder verbeteren en bestaande knelpunten in de fiscale opvolgingsproblematiek verminderen. Verder moeten bestaande durfkapitaalregelingen effectiever ingezet worden gericht op een goede toegang tot de kapitaalmarkt voor starters en groeiende bedrijven. Ook worden microkredieten gemakkelijker verstrekt; die geven met name allochtone ondernemers een betere start en doorgroei. Er komt een garantstellingsregeling voor microkredieten.

Er komt meer geld voor hoger onderwijs en onderzoek. Een deel daarvan komt ten goede aan de kennisoverdracht. Het onderzoeksgeld is deels gekoppeld aan co-financiering vanuit de private sector. Overheid en bedrijfsleven zullen meer moeten investeren in onderzoek en ontwikkeling en dan met name in het valoriserende onderzoek. Meer focus en massa in het wetenschappelijk onderzoek kan worden bereikt door de strategische keuzen verder uit te werken, zodanig dat het ook bijdraagt aan het competetitief vermogen van Nederland. Praktijkgeoriënteerd onderzoek in het HBO kan een belangrijke bijdrage leveren aan de kenniscirculatie tussen hogescholen, bedrijven en instellingen. Daarbij is het van belang dat Nederlandse universiteiten in het kader van wetenschappelijk onderzoek samenwerken met buitenlandse universiteiten. Nederlandse universiteiten dienen op eenvoudiger wijze buitenlandse wetenschappers aan zich te kunnen binden, dit ter voorkoming van uitstroom van kennis.

Ondernemingen in het midden- en kleinbedrijf zorgen voor een gezonde Nederlandse economie. En om gezond te blijven moeten bedrijven vernieuwen. Ondernemers weten dat als geen ander. Ze verbeteren voordurend hun processen of lanceren nieuwe producten en diensten. Die drang om te vernieuwen wil het CDA krachtig versterken. De samenwerking tussen universiteiten, hogescholen en kenniscentra en het bedrijfsleven dient verder verbeterd te worden. De investeringen in innovatievouchers voor het midden- en kleinbedrijf worden voortgezet. Toegepast onderzoek vindt meer vraaggestuurd plaats. Door middel van personele uitwisseling tussen hbo/universiteit enerzijds en het MKB anderzijds worden directe verbanden gerealiseerd. Zo kan de innovatiekracht van het bedrijfsleven worden vergroot en gaan kennisinstellingen meer vraaggericht werken.

Om private investeringen in onderzoek en ontwikkeling te bevorderen en innovatie te versnellen wordt de Wet Bevordering Speur- en Ontwikkelingswerk (WBSO) uitgebreid, onder meer gericht op startende innovatoren. Zo wordt het Nederlandse investeringsklimaat voor onderzoek en ontwikkeling in belangrijke mate versterkt en worden nieuwe activiteiten uitgelokt.

Bij de acquisitie van buitenlandse bedrijven maakt Nederland gebruik van de kracht van de verschillende regio's. Buitenlandse R&D-bedrijven kunnen een beroep doen op het innovatie-instrumentarium waarover ons land beschikt, ook voorafgaand aan vestiging. Zo worden buitenlandse R&D-bedrijven gedurende het locatiekeuzeproces gestimuleerd om tot investering in Nederland over te gaan. Daadwerkelijke vestiging wordt dan voorwaardelijk voor daadwerkelijke subsidieverlening.

De overheid kan met haar aanbestedingsbeleid innovatie bevorderen, bijvoorbeeld door innovatieve overheidsopdrachten uit te zetten, waarbij niet alleen de prijs maar ook het innovatie- en exportpotentieel wordt meegewogen. Een bepaald percentage van overheidsopdrachten wordt geoormerkt voor het midden- en kleinbedrijf.

Het CDA wil dat de overheid een markt voor meer duurzame energie en duurzame producten stimuleert door innovaties en hun verspreiding te versnellen. Daarmee wordt ook nieuwe werkgelegenheid gecreëerd. Dit laatste kan door de duurzame producten qua prijs aantrekkelijker te maken ten opzichte van vervuilende producten (fiscale vergroening). Instrumenten stimuleren bij voorkeur zelfregulering, waardoor partijen zelf werken aan innovatieve oplossingen voor de milieuproblematiek.

Ook de overheid kan slimmer werken. Zo kan de digitale overheid ervoor zorgen dat burgers en ondernemingen maar één keer hun gegevens hoeven aan te leveren bij de overheid. De overheid stimuleert dat kennis en praktijkervaringen, met name rond ICT, breder en gerichter worden ingebed in het onderwijs, in het veiligheidsbeleid, bij identificatie, bij de infrastructuur en bij de toepassing van het recht.

Voor de komende vier jaar wordt een harde reductie van administratieve lasten en nalevingskosten afgesproken evenals een kortere doorlooptijd van procedures. Vergunningenstelsels worden verder teruggedrongen en waar nodig gebundeld of vervangen door algemene regels. De overheid vermindert het aantal toezichthouders, en voorkomt dat toezichthouders zelf aanvullende regels stellen. Minder controles versterken het vertrouwen. Bij overtredingen wordt de sanctie hoger.

In het onderwijs, van het vmbo tot universiteit, wordt het keuzevak `ondernemerschap en beroepsvoorbereiding' ingevoerd, waarvan ondernemerschap onderdeel uitmaakt. Scholen hebben uiteraard de mogelijkheid daaraan in allerlei varianten invulling te geven, bijvoorbeeld via mini-ondernemingen, via ondernemers voor de klas en stages in het bedrijfsleven. In samenwerking met het bedrijfsleven worden ondernemerscentra opgericht waar het ondernemerschaponderwijs een impuls krijgt. Jong geleerd is oud gedaan.

Mensen met kennis en vaardigheden waar in Nederland een tekort aan is en wat door vorming en opleiding van ingezetenen niet is op te lossen, krijgen gemakkelijker toegang tot ons land. Op basis van een snelle toets verkrijgen ze voor een bepaalde periode toegang tot onze arbeidsmarkt. Bij vertrek krijgen ze een deel van de betaalde premies voor de wettelijke sociale zekerheid terug. Voor buitenlandse studenten wordt het gemakkelijker om na hun studie in Nederland aan het werk te gaan. De visa-verlening aan buitenlandse werknemers van Nederlandse bedrijven, en aan hun familie, en aan bona fide buitenlandse zakenlieden moet zodanig verbeterd worden dat zij geen nodeloze barrière in het internationale zakenverkeer oplevert.

Vanzelfsprekend wordt illegale tewerkstelling streng bestraft. In het kader van vrij verkeer van werknemers binnen de EU kan geen sprake zijn van oneerlijke concurrentie op arbeidsvoorwaarden.

Het uitgangspunt van het consumentenbeleid is en blijft de eigen verantwoordelijkheid van consumenten en bedrijven. Daarom wil het CDA inzetten op versterking van de zelfregulering en laagdrempelige, snelle en bindende geschillenbeslechting. Meer keuzevrijheid (en dus meer partijen op de markt en minder regels) gaat gepaard met meer eigen verantwoordelijkheid voor consumenten en bedrijven maar ontslaat de overheid niet van de taak misstanden aan te pakken. Met de oprichting van de Consumentenautoriteit kunnen deze misstanden worden aangepakt.

Om bureaucratie te voorkomen worden bij nieuwe regelgeving de grenslandeffecten vastgesteld. Daarmee wordt voor elke nieuwe wet of wetswijziging inzichtelijk gemaakt welke gevolgen de voorstellen hebben in de grensgebieden m.b.t. economische, maatschappelijke en sociale gevolgen. Hiermee wordt bevorderd dat de wetgeving consistent is met de Europese economische integratie en dat het concurrerend wordt bevorderd.

Protectionistische maatregelen van handelspartners zijn een permanente bedreiging voor de vrije ontwikkeling van de wereldhandel en voor de wereldeconomie, inclusief de positie van ontwikkelingslanden daarin. Daarom zet het CDA in op een verantwoorde verdere liberalisering van de wereldhandel. De WTO als pijler van de internationale economische rechtsorde moet ten volle gesteund worden. Nederland en de EU moeten zich ervoor inzetten dat de Europese economische, sociale en ecologische waarden die gericht zijn op duurzame economische groei ook in de opkomende nieuwe economieën navolging vinden.

De overheid moet bedrijven ondersteunen om in moeilijk toegankelijke markten een plaats te veroveren met behulp van een toegerust handelsbevorderingsbeleid en een adequaat instrumentarium.

4.2 Duurzame economie

Nederland krijgt in het eerstvolgende kabinet weer een minister van milieu. Nederland steunt de Europese milieudoelstellingen, zolang die doelstellingen gepaard gaan met een ambitieuze aanpak aan de bron. Ook moet vooraf inzichtelijk worden gemaakt wat de effecten van Europese regelgeving zijn op de specifieke Nederlandse situatie. Het CDA wil streefwaarden, opgenomen in EU-richtlijnen, op het gebied van energiegebruik (duurzame elektriciteit, biobrandstoffen) zo snel mogelijk in Nederlandse wetgeving vertalen. Alle "nationale koppen" op Europese richtlijnen in bestaande Nederlandse wetgeving worden afgeschaft behalve wanneer specifieke Nederlandse omstandigheden een eigen Nederlandse oplossing vergen en/of de realisatie van doelstellingen uit dit program in de weg worden gestaan.

Bij de milieunormering moet de overheid methoden kiezen die zoveel mogelijk een appèl doen op de verantwoordelijkheid van mensen, ondernemingen en organisaties. Dat lokt innovatie uit. De normen moeten consistent en stabiel zijn en elkaar niet overlappen of tegenspreken. Regelgeving, vergunningverlening en handhaving moeten aangepast worden aan de eisen van deze tijd (bijvoorbeeld één omgevingsvergunning inclusief water). De overheid werkt pas met extra heffingen als er voor burgers ook reële alternatieven voor het extra belaste product zijn (bijvoorbeeld reëel beschikbare schonere brandstoffen).

Energie is van essentieel belang voor onze samenleving. De Nederlandse overheid blijft daarom verantwoordelijk voor de energievoorzieningszekerheid. Zij zal erop toezien dat de energiebedrijven dit garanderen. Die moeten de komende jaren fors investeren in het productievermogen van de elektriciteitssector en in de toevoer van gas. Belangrijk voor de energievoorzieningszekerheid is de opslagzekerheid van gas. Hier kunnen kleine gasvelden een oplossing en zelfs een belangrijke economische kans bieden. Het hoogspanningsnet blijft in de handen van de Nederlandse overheid. Energiebedrijven die hun centrales en leveranciersbedrijven verkopen, splitsen hun distributienetten af, zodat deze in publieke handen blijven.

Energiebesparing is een goede manier om de risico's van het huidige energiegebruik te verminderen. Het levert bovendien geld op. Vanaf 2010 of zoveel eerder als mogelijk zal twee procent energie moeten worden bespaard.

Het CDA wil dat de milieubelasting, zo mogelijk in Europees verband meer in de kosten van het vliegverkeer worden verdisconteerd. Vliegen voor personen wordt daardoor duurder.

Het CDA wil van overheidswege een markt voor meer duurzame energie en duurzame producten realiseren door een consistent investeringsbeleid en innovaties te stimuleren en hun verspreiding te versnellen. Het CDA wil Nederland en Europa binnen twintig jaar voor 25% op duurzame alternatieven en schone fossiele grondstoffen over laten stappen. Het CDA wil een regeling voor duurzame energie die gericht is op voortdurende rendementsverbetering en op het stimuleren van innovatie.

Het stimuleren van aardgas en biobrandstof bij verkeer en vervoer moet per direct gestart worden. Aardgas is als transitiebrandstof te gebruiken. Rond 2015 rollen de eerste zero-emmission voortuigen van de band. Tegen 2015 dient daarom in Nederland waterstof getankt te kunnen worden.

Bij de energievoorziening voor nieuwe woningen en bedrijfspanden moet worden gezocht naar zuiniger verwarmingsmethoden. Bijvoorbeeld aardwarmte, restwarmte en bio-energie uit de industrie, zonne-energie en warmte-koude-opslag. Een verkenning naar de (on)mogelijkheden van Concentrated Sun Power zal uitgevoerd worden. Het CDA wil duurzaamheid verwerken in de (energie-)prijs van goederen, bijvoorbeeld via hoge en lage BTW. Voor spaarlampen gaat het lage tarief van 6% gelden in plaats van 19%. De Energiebox voor consumenten wordt breed verspreid. En de overheid laat alleen nog energiezuinige gebouwen bouwen.

Duurzame energie zal gaandeweg een groeimarkt zijn. Nederland heeft goede mogelijkheden om CO2 op te slaan, om te werken aan een kennisintensieve landbouw en om zijn kennisinstituten op het gebied van duurzame ontwikkeling tot de wereldtop te laten behoren. Nederland heeft ook voorzieningen voor relatief schoon aardgas. Opslag van aardgas in lege gasvelden en in bijvoorbeeld ook zoutkoepels biedt ons land bovendien de mogelijkheid om een knooppunt voor voorzieningszekerheid in West-Europa te worden. Werkgelegenheid kan groeien in de offshore-industrie (CO2-opslag en windenergie op zee), in de biomassa-sector (landbouw, afvalverwerkers en distributie) en bij de PV-industrie (ten behoeve van zonnecellen).

Het bedrijfsleven zal onder het nieuwe systeem van de emissiehandel de kosten minimaliseren; dat zal innovatie bevorderen. Opslag of afvang van CO2 kan onder het emissiehandelssysteem gebracht worden. Ruim voordat de Kyotoperiode afloopt, moet investeerders zekerheid worden geboden over het toekomstig emissierechtenbeleid. Het systeem voor handel in emissierechten kan worden verbreed met een langjarig perspectief voor investeerders.

Binnen de context van Europa, en uitgaande van een zich ontwikkelende innovatieve afvalverwerking en van de mogelijkheid om afval veilig op te slaan, blijft kernenergie gedurende de transitie naar duurzame energie een van de opties om op een klimaatneutrale manier de CO2 uitstoot van de elektriciteitsproductie te verminderen. Vanzelfsprekend worden ook hoge eisen gesteld aan de productie: veilig en met de modernste technieken. Mede in het licht van de belangrijkste internationale rol die Nederland vervult bij het verrijken van uranium zullen inspanningen intensief voortgezet worden om kernenergie volwaardig verantwoord toe te passen / toepasbaar te maken. Verder onderzoek naar kernfusie verdient steun. Het gebruik van zonne-energie wordt sterk bevorderd.

4.3 Ruimte, natuur, landschap en water

Het CDA wil het Nederlandse landschap met zijn cultuur-historische landschapspatronen en kenmerken behouden. Het landschap heeft een eigen, intrinsieke waarde met eigenschappen als rust, ruimte, schoonheid en rijkdom aan flora en fauna. Het landschap heeft ook een economische waarde: als vestigingsfactor en als inkomstenbron voor landbouw, recreatie en toerisme.

Het CDA wil investeren in een groene infrastructuur. Groen `in en om de stad' en de nationale landschappen krijgen een financiële impuls. Zij wil dat de uitvoeringsprogramma's onverkort worden uitgevoerd en de daarvoor noodzakelijke middelen ook daadwerkelijk beschikbaar komen. Daarnaast blijft het CDA inzetten op het realiseren van de ecologische hoofdstructuur, inclusief de robuuste verbindingen. Robuuste verbindingen worden gerealiseerd met voldoende draagvlak op lokaal niveau. Verkend wordt de totstandkoming van het nationaal erfgoed t.b.v. groen / blauwe investeringen. Door particulier initiatief (bijvoorbeeld via revolving fund) kan het Deltalandschap een vervolg krijgen.

Zonder agrarisch ondernemerschap is een vitaal platteland niet mogelijk. Dat kan alleen als het agrarisch grondgebruik economisch rendabel is. Dan zal het landschap behouden blijven en ontwikkeld worden, zonder veel extra kosten voor de overheid.

Rivieren moeten waar noodzakelijk en mogelijk meer ruimte krijgen; water is medeordenend voor de ruimtelijke inrichting. Het werken aan veilige dijken en verbeterde kustwering verdient prioriteit, zodat er geen catastrofale rampen kunnen ontstaan als gevolg van extreme weersomstandigheden, bodemdaling en zeespiegelstijging. Het is daarom wenselijk dat waterschappen als overheden gehandhaafd blijven.

Veel projecten in de ruimtelijke ordening komen tot stand zonder rechtstreekse bemoeienis van het rijk. Een nationale ruimtelijke hoofdstructuur geeft alleen weer welke waarden tenminste gegarandeerd worden en voor welke structuren het rijk een grotere verantwoordelijkheid heeft. Een integrale ruimtelijke investeringsstrategie, mede te financieren uit het fonds economische structuurversterking, houdt rekening met langetermijnontwikkelingen als klimaatverandering, bereikbaarheid van de stad en stationsomgevingen in steden.

Integrale gebiedsontwikkeling, die rekening houdt met milieu, economie, natuur, landschap en water wordt gestimuleerd. Voorbeelden zijn de IJsseldelta, de Blauwe Stad, het Wieringerrandmeer en de Zuidwestelijke delta's. Economie, infrastructuur en een duurzame leefomgeving worden tegelijkertijd ontwikkeld, zodat overheden, ondernemingen, organisaties en mensen zich daar ook verantwoordelijk voor voelen. Het CDA is voor onderzoek naar nieuwe landwinningsprojecten die kunnen dienen voor ontlasting van de druk op het oude land.

Juist op de plek waar het dagelijks leven zich afspeelt, dienen burgers het vertrouwen te hebben dat ze geen bovenmatige gezondheids- of andere veiligheidsrisico`s lopen en dienen overlast en hinder tot een minimum te worden beperkt.

Het CDA wil boeren, op basis van meerjarige overeenkomsten, bij voorkeur betrekken bij de zorg voor het Nederlandse cultuurlandschap om een toegankelijker en leefbaarder agrarisch cultuurlandschap te realiseren. De overheid moet wat het CDA betreft ruimte bieden aan plattelandsondernemers met nieuwe of verbrede activiteiten die een eigen plek willen verdienen in het landelijk gebied. Om de kwaliteit van de toeristische recreatieve sector te verbeteren streeft het CDA naar een samenhangende aanpak van gebiedskwaliteiten (natuur, bos, landschap, cultuur-historische elementen), openbare recreatie-infrastructuur (dagrecreatiegebieden, stadsparken, paden, routes) en het door ondernemers geleverde aanbod (dagrecreatieparken, verblijfsaccomodaties, museale voorzieningen, agrotoerisme, etc.).

Het CDA wil met een `databank natuurgegevens' inzichtelijk maken welke natuurgegevens van belang zijn voor bouwlocaties. Deze online-voorziening kan een einde maken aan de vertraging van bouwprojecten als onbedoeld neveneffect van het beleid om natuur en biodiversiteit te beschermen.

Er moet een nieuwe balans worden gevonden in het natuurbeleid tussen ecologie en economie. Hiertoe moet de regelgeving voor de Natura2000 gebieden worden herzien. In deze regelgeving wordt rekening gehouden met economische belangen, met maatschappelijk draag vlak voor te nemen maatregelen en met het lange termijn perspectief.

4.4 Mobiliteit

Het CDA wil Nederland als geheel en stedelijke gebieden in het bijzonder beter bereikbaar maken. Het CDA geeft prioriteit aan wegverbreding en betere benutting van bestaande wegen. Rond een beperkt aantal ontbrekende schakels kunnen nieuwe doorsnijdingen van het landschap aan de orde zijn. In de EU moeten de internationale weg, spoor- en vaarverbindingen verder ontwikkeld worden, te denken valt aan verbindingen die van belang zijn voor de internationale economische ontwikkeling. Het CDA vindt dat er alleen nieuwe wegen mogen worden aangelegd als verbreding geen oplossing biedt en er in de regio voldoende draagvlak is.

Bij de aanleg van infrastructuur moet meer gebruik gemaakt worden van kennis en risicokapitaal van het bedrijfsleven. Bijvoorbeeld door aanleg, financiering, beheer en onderhoud in één pakket onder te brengen. Dit zal leiden tot meer infrastructuur en tot een beter onderhoud.

In de komende periode wordt een andere beprijzingssysteem van autorijden voorbereid. Het streven is om in 2012 een systeem van betaling in te voeren. Per gereden kilometer wordt dan naar tijd en plaats betaald. Op rustige plaatsen en tijdstippen betalen mensen minder dan op drukke plaatsen en tijdstippen. BPM (aanschafbelasting), motorrijtuigenbelasting en Eurovignet worden uiteindelijk (geheel of gedeeltelijk) vervangen door een systeem van betalen per kilometer. De inningskosten mogen maximaal 5% van de opbrengsten bedragen. De opbrengsten van de beprijzing zullen ook werkelijk aan infrastructuur, openbaar vervoer en bereikbaarheid worden besteed. Het moet voor regio's mogelijk worden om de aanleg van wegen te versnellen door hiervoor een prijs te vragen.

Het CDA stelt zich ten doel dat ouderen en gehandicapten aan het maatschappelijk leven deel kunnen nemen. Het CDA streeft ernaar dat openbaar vervoer integraal toegankelijk wordt. Het CDA wil meer investeren in (onderhoud van) het spoor. De achterstand moet worden weggewerkt. De snelle en hoogwaardige verbindingen binnen Randstad en Brabantstad hebben prioriteit. De openbaar vervoerverbindingen naar het oosten worden verbeterd. De afspraken met noord-Nederland over economische structuurversterking door een snelle Zuiderzeelijn-spoorverbinding dienen te worden nagekomen (inclusief de toegezegde rijksbijdrage van 2,7 miljard). Indien een dergelijke snelle verbinding onvoldoende structuurversterkend rendement oplevert en/of niet verantwoord te exploiteren is, dient er, afgestemd met het Noorden en Flevoland en, uitgaande van deze afspraken, een alternatief samenhangend pakket te komen. Daarvan maken infrastructurele maatregelen een substantieel deel uit. Het CDA is tegenstander van een verdere liberalisering en privatisering van het nationale spoorvervoer. Decentraliseren van regionale spoorlijnen kan, als het volledige exploitatiebudget wordt overgeheveld. Grensoverschrijdende verbindingen zijn belangrijk in alle grensregio's. De overheid dringt luchtverontreiniging en CO2-uitstoot terug door aan schoon openbaar vervoer en hybride motoren de voorkeur te geven bij de consessieverlening.

Het CDA wil milieuvervuiling zo veel mogelijk aan de bron bestrijden. Schone en zuinige motoren en brandstoffen, bijvoorbeeld hybride auto's en milieubesparende brandstoffen, zoals LPG en biobrandstoffen, worden fiscaal gestimuleerd. Zo zal de luchtvervuiling, veroorzaakt door uitlaatgassen, op (uitvals)wegen rond de grote steden drastisch verminderd worden. Ook in het systeem van beprijzing moet rijden in een schone auto flink voordeliger zijn. Het nadeel van het uitwijken naar buurlanden bij verschil in brandstofprijzen is met een hierop toegesneden kilometerheffing te ondervangen. Ook het openbaar vervoer moet schoon kunnen rijden. Bij busbedrijven zijn daarvoor al aanzetten gegeven. Ook op het spoor is emissievrij vervoer een belangrijke ambitie, ook al om op het punt van duurzaamheid de voorsprong ten opzichte van het autoverkeer te behouden.

Het CDA wil werken aan een verdere daling van verkeersslachtoffers. Achter elk slachtoffer in het verkeer schuilt een familiedrama. Het verkeer eist nog te vaak een hoge prijs. Daarom is er de afgelopen kabinetsperiode sterk geïnvesteerd in veiligheid. Daarmee moeten we doorgaan. Alcohol en drugsgebruik in het verkeer wordt hard aangepakt. De overheid stimuleert verkeerseducatie in het primair en voortgezet onderwijs en bevordert de participatie van ouders daarin.

De mainportfunctie van Schiphol is belangrijk voor onze nationale (vervoers)economie. Het CDA bepleit groei van het luchtverkeer te doen plaatsvinden na overleg met de omgeving en binnen een handhavingssysteem met bescherming van zowel het binnen- als buitengebied. Het CDA streeft naar een handhavingssysteem dat meer aansluit bij de beleving van de omwonenden, bijvoorbeeld door pilots. Er komt een nationaal toetsingskader voor regionale vliegvelden.

Personenvervoer over water wordt gestimuleerd.

Met de inzet van dynamisch verkeersmanagement valt in benutting van de bestaande infrastructuur nog veel winst te behalen. Zo zou bijvoorbeeld buiten de spits harder gereden mogen worden om spreiding te genereren.

De overheid geeft zelf het voorbeeld van spreiding van flexibele werktijden. Dit om de combinatie van zorg en arbeid beter mogelijk te maken en de filedruk te verminderen.

Het CDA ziet mobiliteit als randvoorwaarde voor een gezonde sociale en economische samenhang. Mensen die in de file staan, houden minder tijd over om werk en zorg te combineren, vrijwilligerswerk, sport, deelname aan maatschappelijke organisaties en andere vormen van intermenselijk contact en ontwikkeling.

4.5 Ondernemerschap in de landbouw en tuinbouw

Het CDA wil dat er tot de afgesproken datum van 2013 niet getornd wordt aan de afspraken over de hervormingen van het EU landbouwbeleid. De door het CDA gewenste tussentijdse invoering van gedeeltelijke cofinanciering mag niet leiden tot concurrentievervalsing tussen de lidstaten. Wel dient de bureaucratie verder worden verminderd en aan het ondernemerschap meer ruimte worden gegeven door verdergaande ontkoppeling van producties en premies.

Het CDA wil af van het Europese non-vaccinatiebeleid, waarbij er niet preventief mag worden geënt tegen bepaalde dierziekten. Bovendien vindt het CDA dat gezonde en gevaccineerde hobbydieren niet mogen worden geruimd bij een dierziekte-uitbraak. Vaccinatie mag geen negatieve consequenties hebben, zoals een verstoring van de handel. Dat moet internationaal geregeld worden.

Het CDA wil het ondernemerschap stimuleren. Ontwikkelingen op het platteland moeten mogelijk blijven: het platteland mag niet op slot. Het CDA wil ruimtelijke belemmeringen verminderen, zorgen voor structuurverbetering via landinrichting en kavelruil, en assistentie bij investeringen in bedrijfsvernieuwing. Het vergroten van huiskavels is in het bijzonder van belang om koeien in de wei te kunnen houden. Door vanuit het Rijk een impuls te geven aan kennis en innovatie in de agrifoodsector ontstaan meer mogelijkheden voor het toevoegen van waarde aan de productie en aan de ketensamenwerking. Zo houdt de primaire land- en tuinbouw in Nederland perspectief. Wel is een proces van innovatie, diversificatie en schaalvergroting noodzakelijk. Het marktaandeel van biologische landbouw wordt door vraagstimulering ondersteund.

Greenports en hun satellieten zijn gebieden waarin de kennisintensieve tuinbouw en agrarisch ondernemerschap wordt gestimuleerd. Het CDA wil extra geld uittrekken vanuit het Fonds Economische Structuurversterking voor de modernisering van de greenports, voor hun noodzakelijke ontsluiting en voor de gewenste landschappelijke inpassing van de `glazen stad'.

Nederland dient de omschakeling van het gebruik van fossiele naar duurzame energie in de komende periode te versnellen. Gesloten kassen met warmte, CO2 en wateropslag in de bodem dragen bij aan een duurzaam energiebeleid. De stimulering van Warmte Kracht Koppeling blijft de komende jaren van wezenlijk belang als efficiënte en flexibele energieleverancier. De landbouw kan bij duurzaamheid een hoofdrol spelen door de productie van bio-ethanol, van koolzaad voor biodiesel en bio-olie, van suiker voor biomassa en door de vergisting of verbranding voor zowel groen gas als elektriciteit. De overheid stimuleert een gespreid aanbod en geeft accijnskorting op deze energiebronnen en brandstoffen. Het CDA wil energiewinning uit mest- en co-vergisting verbreden naar een grotere groep voorlopers in de agrarische sector door een investeringsstimulans voor ondernemers én een aanpassing van de Brusselse regelgeving.

Voor het CDA zijn dieren levende schepselen waarvoor ieder mens verantwoordelijkheid draagt. De overheid zorgt daarom dat alle betrokkenen afspraken maken over welzijnseisen en een inzichtelijke certificering. De overheid ondersteunt dit via gerichte controles op naleving van de overeengekomen standaarden.

Genetische modificatie bij dieren voor sport, vermaak en voedselproductie is niet toelaatbaar en bij planten onder strenge voorwaarden.

De noodzakelijke sanering van de visserijsector wordt door de overheid gefaciliteerd. De overcapaciteit moet gesaneerd worden. Verder wordt aquacultuur op het land of in het water gestimuleerd, evenals duurzaamheid via technologische verbeteringen (o.a. de pulskormethode). Het verminderen van het aantal Europese visserijvoorschriften en het vereenvoudigen daarvan is dringend gewenst.

5 Vertrouwen door internationale samenwerking

5.1 Europees maatwerk

Verbondenheid en solidariteit in de Europese Unie zijn belangrijke waarborgen gebleken voor vrede, vrijheid en welvaart. Ook nu is er behoefte is aan doeltreffend beleid op een aantal terrein die geen land meer alleen aan kan, bijvoorbeeld: stabiele energievoorziening, zonder eenzijdige afhankelijkheid van olie- en gasproducerende landen. Europa moet zich niet laten verdelen door olie- en gasleveranciers maar moet als alliantie opereren. Het moet investeren in nieuwe vormen van duurzame energiewinning, en verdere aanpak van uitstoot broeikasgassen in Europa en wereldwijd door een doeltreffend vervolg op het Kyoto Protocol; effectief optreden tegen terrorisme, mensenhandel, verspreiding van nucleair materiaal en andere vormen van grensoverschrijdende criminaliteit; het creëren van een doeltreffend Europees vluchtelingenbeleid; het ontwikkelen van een gemeenschappelijk Europees beleid ten aanzien van immigratie.

De Eerste en Tweede Kamer moeten - met gebruikmaking van adviezen van de Raad van State - al in een vroeg stadium kunnen aangeven welke Europese wetgeving zij al dan niet wenselijk acht, en op welke wijze daaraan in Nederland uitwerking zal worden gegeven.

Het CDA zal zich inzetten voor een democratische en doeltreffende besluitvorming in de Europese Unie. Er is een nieuw evenwicht nodig tussen Europese en nationale wetgeving: een goede afbakening van taken is beter dan een vetorecht dat de besluitvorming met 25 of meer lidstaten voortdurend lam legt. Belangrijke delen van het energiebeleid, duurzaamheid en van de bestrijding van de georganiseerde misdaad en het terrorisme gaan deel uitmaken van het takenpakket van de EU, waarover bij gekwalificeerde meerderheid kan worden beslist. De coördinatie van het economisch beleid tussen de lidstaten, die nodig is om te zorgen dat de euro een sterke en stabiele munt blijft, moet versterkt worden. Het verdrag zal dit moeten regelen, samen met een effectievere bescherming van de grondrechten van de burgers en enkele urgente verbeteringen op het gebied van justitie, politie en migratie. Europese harmonisatie van het asielbeleid is noodzakelijk. Daarnaast moeten voorwaarden geschapen worden voor een effectief optreden op het terrein van het buitenlands- en veiligheidsbeleid.

Door een goede afbakening valt te vermijden dat de EU een overheidslaag wordt die vooral in het teken staat van een te ondoorzichtig en krachteloos besluitvormingsproces. Dat vraagt ook om aanpassing van de instituties. Daarom is het nodig dat: het Europees Parlement bij wetgeving het medebeslissingsrecht krijgt wanner de Raad bij gekwalificeerde meerderheid besluit; er een instemmingsrecht is voor het Europees Parlement bij de benoeming van elke afzonderlijke commissaris; ter bevordering van een efficiënt Europees buitenlands en veiligheidsbeleid het vetorecht voor de lidstaten op deze terreinen waar mogelijk wordt afgeschaft; nationale parlementen meer invloed krijgen op de besluitvorming in de Raad en beter gebruik maken van de informatie die zij daarover in een vroeg stadium krijgen; de vergaderingen van de Raad van Ministers over wetgeving openbaar zijn en ook via de media en internet zijn te volgen voor de Europese burgers; niet langer wordt vastgehouden aan één commissaris per lidstaat. Er komt een roulatiesysteem voor de Europese Commissie dat is gebaseerd op een evenwichtige vertegenwoordiging van de lidstaten.

De uitbreiding die de Europese Unie de afgelopen jaren heeft ondergaan is belangrijk geweest. Nu komt het erop aan om er eerst aan te werken dat de nieuwe landen geheel zijn geïntegreerd en dat de organisatie van de EU op de uitbreiding is toegesneden. Tegelijkertijd dient er bekeken te worden op welke manier de Europese Unie met naburige landen kan samenwerken en hoe democratiseringsprocessen in andere Europese landen bevorderd kunnen worden.

Europa neemt zijn waarden en regels serieus. Er komen meer evaluatiemomenten in een toetredingsproces. De Kopenhagencriteria dienen strikt te worden toegepast. Slechte noteringen bij de evaluaties kunnen uitmonden in het opschorten of beëindigen van de onderhandelingen en het aanbieden van een andere vorm van samenwerking. Een toetredingsdatum wordt pas genoemd op het moment dat aan alle criteria is voldaan.

Landen kunnen in aanvulling op, of vooruitlopend op, het kandidaatlidmaatschap van de EU beschikken over nieuwe statusvormen (zoals het partenariaat). Bijvoorbeeld als tussenstap als men (nog) niet aan de criteria voor (kandidaat)lidmaatschap kan voldoen. Zo is toch een intensievere samenwerkingsrelatie met de EU te ontwikkelen. Het uitzicht op lidmaatschap blijft daarbij bestaan. Aan de landen op de Westelijke Balkan, Albanië, Bosnië-Herzegovina, Montenegro en Servië wordt nu als tussenstap het partenariaat aangeboden. De huidige kandidaat-lidstaten kunnen lid worden van de EU, mits zij voldoen aan de Kopenhagencriteria. Indien zij daaraan niet kunnen voldoen, kan deze landen het partenariaat worden aangeboden.

Tachtig procent van de Europese begroting wordt door nationale instanties uitgegeven. Daarom moeten de nationale ministers van financiën verantwoording nemen voor de Europese bestedingen die in hun eigen lidstaat plaatsvinden. Zij geven nationale goedkeurende verklaringen af. Nationale rekenkamers controleren, samen met de Europese Rekenkamer, de bestedingen. Verder is van belang dat: lidstaten die zich niet houden aan de regels van het Groei- en Stabiliteitspact daadwerkelijk forse boetes krijgen. het Europees Parlement, binnen het door de lidstaten aanvaarde uitgavenplafond, volledige budgettaire bevoegdheid krijgt.

Nederland moet Europese regels niet strenger uitvoeren dan nodig is, zodat extra administratieve lasten worden voorkomen. Slechts door een gelijk speelveld blijft Nederland ook aantrekkelijk als vestigingsplaats voor ondernemingen.

In het kader van de effectiviteit en uit oogpunt van kostenbesparing dient het Europees parlement alleen in Brussel te vergaderen.

Grensoverschrijdende samenwerking wordt sterk bevorderd. De Euregio's krijgen in het nationale en Europese beleid speciale aandacht. Op, voor de burgers, belangrijke beleidsterreinen worden bestaande belemmeringen weggenomen. In de Euregio's worden daartoe pilotprojecten mogelijk gemaakt waarbij de regionale en lokale overheden meer beleidsruimte krijgen.

5.2 Internationale instituties

Om de legitimatie, het draagvlak en het gezag van internationale instituties te versterken is een intensieve samenwerking met de instellingen van de civil society van belang. Uiteraard alleen voor zover deze ook zelf de rechten van de mens respecteren en bijdragen aan goed bestuur.

Mensenhandel en seksuele uitbuiting zijn ernstige schendingen van de mensenrechten. Opsporingsorganisaties moeten nationaal en internationaal beter samenwerken om de bestrijding effectiever te maken.

Effectiviteit is van het grootste belang bij de verdere hervorming van de VN. Het CDA kiest voor de door Nederland voorgestelde - en reeds door twaalf andere lidstaten gesteunde - hervormingsplannen om te komen tot een VN van vier pijlers: veiligheid, ontwikkeling, humanitaire zaken en milieu. Bovendien moet worden geregeld dat er één VN-loket per land wordt ingericht. Alle VN-milieu-activiteiten moeten na de hervorming worden gecoördineerd door één VN-organisatie, bijvoorbeeld de United Nations Environment Programme (UNEP). Het CDA vindt dat de VN zich moet inzetten voor behoud van biodiversiteit en kwetsbare ecosystemen, zoals het tropisch regenwoud. De onlangs opgerichte VN-mensenrechtenraad moet een effectieve organisatie worden waarvan landen waar de mensenrechten aantoonbaar geschonden worden geen lid kunnen worden. Nederland moet blijven streven naar het reactiveren van het Non-Proliferatie Verdrag, met een supranationale rol van het International Atomic Energy Agency (IAEA) en naar een nieuw commitment om nucleaire wapens te verminderen.

Vanwege conflicten en rampen van ecologische, economische en humanitaire aard vluchten miljoenen mensen naar veiliger oorden. Internationale afspraken zijn nodig om hen daarna weer een perspectief op een zelfstandig bestaan te bieden. Om te vermijden dat mensen jarenlang in kampen verblijven, moet de weg worden geëffend voor hun terugkeer. Als dat niet mogelijk is, moet worden gewerkt aan de mogelijkheid om een zelfstandig bestaan op te bouwen in de regio waarin men is opgevangen. In laatste instantie moet doormigratie een optie zijn. Waar het gaat om de opvang en bescherming van mensen op de vlucht in hun eigen land (Internally Displaced People) is het nodig dat de UNHCR expliciet het mandaat krijgt. Hervestiging is één van de opties. Mede om dit mogelijk te maken verhoogt Nederland zijn quotum voor uitgenodigde vluchtelingen.

Het CDA neemt interreligieuze en interculturele spanningen buitengewoon serieus. Ook daarom is een geïnstitutionaliseerde dialoog tussen Europa en de vertegenwoordigers van de christelijke, joodse en andere wereldgodsdiensten met de Raad van Europa en de EU van grote betekenis. Daarbij kan de Organisation of the Islamic Conference een belangrijke partner zijn. Prioriteit moet gegeven worden aan steun voor democratiseringsprocessen, de verbetering van de positie van de vrouw en aan de positie van religieuze minderheden.

5.3 Vrede en veiligheid

Nederland neemt als betrouwbaar bondgenoot verantwoordelijkheid voor de bevordering van de internationale rechtsorde. Het CDA wil het ambitieniveau van drie vredesoperaties per jaar handhaven, alsmede serieus invulling geven aan de rol van defensie in het kader van nationale veiligheid. Het budget moet daarvoor toereikend zijn. Verdere bezuinigingen op defensie zijn dan ook niet aan de orde.

Europa kan bij het streven naar vrede, veiligheid en rechtvaardige mondiale verhoudingen alleen iets betekenen als het zelf eensgezind en ambitieus is. Het zal moeten investeren in een overtuigende gemeenschappelijke buitenlandse politiek.

Op veiligheidsgebied is de NAVO het meest geschikte forum om de transatlantische kracht te behouden en te ontwikkelen. Het Atlantisch Bondgenootschap is niet alleen onmisbaar voor de verdediging van het bondgenootschappelijk gebied, maar gegeven de ondeelbaarheid van de mondiale veiligheid, dient de NAVO daarbij te evolueren naar een global security provider.

De internationale gemeenschap moet op tijd reageren op dreigende humanitaire crises, zodat snel met de beschikbare middelen kan worden bijgedragen aan conflictpreventie. Als in laatste instantie toch interventies met militaire middelen nodig zijn om burgers te beschermen, gaat dat onlosmakelijk gepaard met de verantwoordelijkheid om bij te dragen aan wederopbouw. Het is van belang het samenhangende beleid tussen conflictpreventie, conflictbeheersing en wederopbouw zowel in de EU als in Nederland verder te ontwikkelen.

Bij besluitvorming over vredesmissies dient het Toetsingskader als leidraad. Instemming van de Tweede en Eerste Kamer is vereist.

Het CDA heeft waardering voor de inzet van onze mannen en vrouwen in uniform in vaak moeilijke, risicovolle omstandigheden, Uitgezonden militairen en hun thuisfront verdienen morele en praktische steun. Het defensiepersoneel kan rekenen op goede opleidingsmogelijkheden, op goed materiaal en op een passende beloning, op begeleiding en nazorg. Veteranen verdienen blijvende erkenning en waardering.

De samenwerking tussen de landen van de EU op defensiegebied moet verbeteren. De kosten van militaire missies onder verantwoordelijkheid van de EU dienen door alle lidstaten in evenredigheid gedragen te worden. Een betere taak- en werkverdeling tussen de krijgsmachten kan de effectiviteit vergroten.

Vredesoperaties als zodanig worden niet uit middelen voor ontwikkelingssamenwerking gefinancierd, maar blijven voor rekening van Defensie. Activiteiten, tijdens een vredesmissie, om het vertrouwen van de bevolking te winnen en die bijdragen aan wederopbouw, kunnen uit de begroting ontwikkelingssamenwerking gefinancierd worden. Het geld moet echter niet weglekken naar doelen die niets of te weinig met ontwikkelingssamenwerking van doen hebben.

Bij de wederopbouw wordt nauw samengewerkt met maatschappelijke organisaties in Nederland en in het betreffende land, op grond van hun kennis en om de beperkingen van de broze staatsstructuren op te vangen. Bij de wederopbouwinspanningen werken Nederlandse militairen, Nederlandse bedrijven en maatschappelijke organisaties vanaf een zo vroeg mogelijk stadium samen.

Landen die zich aan het herstellen zijn van bijvoorbeeld burgeroorlogen vragen om een realistisch en toekomstgericht beleid voor de ontwikkelingssamenwerking. Realistisch in die zin dat rekening wordt gehouden met de prilheid en kwetsbaarheid van het herstel. Toekomstgericht, in die zin dat aantoonbaar vorderingen worden gemaakt bij het opbouwen van een stabiele en op recht gebaseerde staat. Deze aanpak vereist in vele gevallen een combinatie van civiele en militaire inzet. Ook een versterkte Europese en multilaterale afstemming is daarbij hard nodig.

5.4 Internationale samenwerking

Geld voor ontwikkelingssamenwerking moet terecht komen bij de mensen, instellingen en landen die hun eigen verantwoordelijkheid niet uit de weg gaan. Het criterium van goed bestuur is daarom van doorslaggevende betekenis bij het toekennen van middelen.

Door schuldkwijtschelding vrijgekomen gelden dienen ontwikkelingslanden in te zetten voor armoedebestrijding en duurzame ontwikkeling. De tegenwaardefondsen in lokale valuta kunnen voor sociale programma's worden ingezet.

Nederland moet zich maximaal inzetten voor het bereiken van de Millennium Ontwikkelingsdoelen. Bijzondere aandacht is er voor het verbeteren van het bestuur en de democratische besluitvorming en voor het respecteren van de mensenrechten. Speciale aandacht voor vrouwen en kinderen is van belang, evenals capaciteitsversterking op alle niveaus om ervoor te zorgen dat mensen in ontwikkelingslanden in staat zijn zelf hun problemen het hoofd te bieden. Het Ministerie van Ontwikkelingssamenwerking zal nog meer dan tot nu toe het geval is zich inzetten tegen mensenhandel, uitbuiting, kinderarbeid en slavernij. Het ministerie zal organisaties die slavernij bestrijden met financiële middelen ondersteunen.

Nederland moet zich binnen de EU hard blijven maken voor een duidelijke taakverdeling op het gebied van ontwikkelingssamenwerking. Een gezamenlijk geformuleerd beleidskader dient als basis voor de werkverdeling. Dat document is dan ook richtinggevend voor het optreden van de EU in haar betrekkingen met de multilaterale organisaties. Ook alle andere EU-lidstaten moeten hun belofte nakomen en ervoor zorgen dat zij in 2015 tenminste 0,7 % BNP aan ontwikkelingssamenwerking besteden.

Europa moet zich sterk maken voor de positie van arme landen binnen internationale organisaties als de WTO. De ontwikkelingslanden moeten daarbij gestimuleerd en gefaciliteerd worden om veel sterker te gaan participeren in het wereldhandelsstelsel.

Bedrijven en maatschappelijke organisaties moeten aan consumenten duidelijk maken of men maatschappelijk verantwoord onderneemt en of bij de handel en productie sprake is geweest van kinderarbeid, uitbuiting, etc. De OESO-criteria die daarvoor zijn opgesteld zijn daarbij van belang.

Maatschappelijk verantwoord ondernemen dient binnen de Publiek Private Samenwerking (PPS) als voorwaarde te worden gehandhaafd. Indien het PPS-instrument voldoet aan de gestelde doelen (duurzame en evenwichtige economische ontwikkeling) moet meer budget beschikbaar worden gesteld.

Meer geld van het ontwikkelingsbudget gaat naar programma's waarbij het bedrijfsleven iets extra's toevoegt aan de ontwikkeling van de arme landen. Microkredieten zijn van groot belang voor het stimuleren en ondersteunen van het ondernemerschap in ontwikkelingslanden. Particuliere initiatiefnemers kunnen bij één loket aankloppen voor financiële ondersteuning. Met name voor bedrijven moet het fiscaal aantrekkelijk worden gemaakt om te investeren in micofinanciering(sprojecten). De verschillende hulpkanalen werken aanvullend aan elkaar.

0,1% van het BNP (als deel van het geld voor ontwikkelingssamenwerking) is gereserveerd voor programma's gericht op milieu, water en behoud en herstel van ecosystemen. Het zevende Millennium Ontwikkelingsdoel stelt dat in 2015 het aantal mensen dat geen toegang heeft tot veilig drinkwater gehalveerd moet zijn. Nederlands expertise bij de aanpak van de (dreigende) watercrisis en rond schone energie krijgt extra accent.

De agrarische sector en de ontwikkeling van het platteland in ontwikkelingslanden zijn een belangrijke prioriteit. Ondersteuning van kleine boeren, gericht op lokale productie én de ontwikkeling van de exportsector met gerichte aandacht voor de kwaliteit van de producten is daarbij van belang.

Binnen de middelen voor ontwikkelingssamenwerking dient meer geld vrijgemaakt te worden voor de opleiding van studenten uit ontwikkelingslanden die in Nederland dan wel in eigen land opgeleid worden.

6 Vertrouwen in een betrokken Nederland

6.1 Politiek en democratie

Het CDA wil de democratie levend houden door een open en eerlijke politiek. Vanuit de eigen visie beloven wat je kunt waarmaken en doen wat je belooft.

In de Tweede Kamer moet ruimte blijven voor de vele verschillende opvattingen die onder de Nederlanders leven. Daarom blijft de zetelverdeling in de Tweede Kamer evenredig met het percentage stemmen dat de partijen halen bij landelijke verkiezingen. Maar kiezers kunnen ook een (tweede) stem in hun regionale kiesdistrict uitbrengen. Zo kunnen zij bepalen wie vanuit hun regio in de Kamer komt (voor een van de landelijke lijsten). Deze Kamerleden zullen uitgebreid verantwoording gaan afleggen in hun regio en signalen vanuit de bevolking snel oppakken. Dat versterkt de betrokkenheid over en weer. Het CDA vindt dat mensen zich moeten herkennen in hun volksvertegenwoordigers. Een sterke regionale worteling helpt daarbij.

Het CDA is tegenstander van het referendum. Referenda scheppen onduidelijkheid over vervolgtrajecten. Bij referenda neemt men heel belangrijke beslissingen, terwijl er later niemand ter verantwoording geroepen kan worden.

Volksvertegenwoordigers en politieke partijen zijn een schakel tussen samenleving en overheid. Daartoe moet de volksvertegenwoordiging (parlement, Provinciale Staten of gemeenteraad) voor haar informatie minder afhankelijk worden van het openbaar bestuur. Een deel van het budget voor studie en onderzoek dat momenteel gaat naar allerlei instellingen van en rond de overheid verschuift naar de volksvertegenwoordiging en politieke instellingen. De geboden tegemoetkoming en faciliteiten voor volksvertegenwoordigers moeten voldoende zijn om betrokken burgers niet te ontmoedigen de rol als volksvertegenwoordiger op zich te nemen.

Wie politiek volwaardig wil meedoen in Nederland, zal een keuze moeten maken voor het Nederlands staatsburgerschap. Het kiesrecht voor Provinciale Staten en Tweede Kamer blijft voorbehouden aan Nederlandse staatsburgers.

Het CDA hecht aan de benoeming van de Commissaris der Koningin (CdK) en de burgemeester door de Kroon met een enkelvoudige aanbeveling door Provinciale Staten (PS) of de raad. Op deze manier komt zowel de eigenstandige positie van de CdK en van de burgemeester tot haar recht, alsook het gegeven dat de provinciale staten cq de raad het hoofdorgaan zijn van de provincie/de gemeente.

6.2 Decentrale overheden en organisatie van de overheid

Gemeentelijke herindelingen zijn alleen acceptabel als de gemeenten dat zelf noodzakelijk achten.

Het CDA wil af van het idee dat er in Nederland maar één type gemeente of provincie is; van Amsterdam tot Ameland. Differentiatie in takenpakketten tussen gemeenten, tussen kleine plaatsen en grote steden en tussen provincies moet mogelijk gemaakt worden. Het CDA wil de gemeentelijke autonomie versterken: het moet helder zijn wat de gemeenten zelf (zonder bemoeienis van het rijk) mogen regelen. Minstens de helft van het aantal doeluitkeringen wordt omgezet in een generieke bijdrage aan gemeenten. Hun autonomie wordt daarmee vergroot. In dit kader wil het CDA onderzoeken of en op welke wijze het gemeentelijk 'belastinggebied' hersteld en eventueel versterkt kan worden, zonder dat dat leidt tot een verhoging van de collectieve lastendruk. Ook de provinciale belastinginkomsten komen bij dat onderzoek aan de orde. Blijvende aandacht is evenwel nodig voor de wirwar aan bestuursorganen waarmee gemeenten te maken hebben bij het uitvoeren van de eigen verantwoordelijkheden.

Om efficiënt en effectief te kunnen optreden worden verantwoordelijkheden van de drie overheidslagen gemeente, provincie en rijk scherp afgebakend. Bij voorkeur is er één overheidslaag, maar maximaal zijn er twee overheidslagen verantwoordelijk voor de aanpak van een bepaald probleem, waardoor burgers met maximaal twee overheden van doen hebben. Mocht er meer dan één overheidslaag bij een probleem betrokken zijn, dan moet de afbakening van verantwoordelijkheden in ieder geval duidelijk en werkbaar zijn, en is de samenwerking van de verschillende overheden gebaseerd op 'partnerschap'. Het CDA is tegenstander van de vorming van een Randstadprovincie. Taken moeten helder worden verdeeld met overdracht van bevoegdheden en middelen en doorzettingsmacht voor de verantwoordelijke bestuurslaag. Bij het streven naar een transparante verdeling van taken is geen ruimte voor een geformaliseerde vierde bestuurslaag. Bij decentralisatie van rijkstaken naar andere overheden moeten deze overheden ook over voldoende middelen en bevoegdheden beschikken om hun verantwoordelijkheid waar te maken.

De rijksoverheid wordt kleiner en slagvaardiger. De politieke aansturing wordt meer oplossingsgericht.

Er komt een geïntegreerd en beperkter toezicht per maatschappelijk domein (bijvoorbeeld het bedrijfsleven).

Zo mogelijk wordt publiek toezicht vervangen door privaat toezicht (zelfregulering). In de zorg en het onderwijs wordt verantwoording aan de overheid en inspecties verschoven naar verantwoording aan de samenleving.

De rijksoverheid wordt georganiseerd als een geïntegreerde en samenhangende organisatie, waardoor flexibeler kan worden ingespeeld op nieuwe maatschappelijke thema's en politieke prioriteiten. Directoraten-generaal, beleidsafdelingen, begrotingsstaven en personeel van verschillende directie kunnen worden samengevoegd.

Ministers kunnen verantwoordelijk zijn voor thema's die meerdere departementen raken, zoals jeugd, veiligheid, duurzaamheid en innovatie. Daarbij hoort een doorzettingsmacht die door de grenzen van departementen heen breekt. Gegeven de eerder bepleite differentiatie van bevoegdheden over bestuurslagen kan dit ook betekenen dat een minister verantwoordelijk wordt voor bijvoorbeeld de problematiek van de mobiliteit en infrastructuur van de Randstad.

Minder managementlagen binnen de departementen zijn noodzakelijk.

Waar dat zinvol is, bijvoorbeeld met het oog op latere (decentrale) uitvoering, betrekt de rijksoverheid andere bestuurslagen in een eerder stadium bij de voorbereiding van landelijke wet- en regelgeving gebaseerd op Europese regelgeving.

Verdere sanering van agentschappen en ZBO's, tenzij er sprake is van een duidelijke meerwaarde.

De komende kabinetsperiode vindt er een forse reductie van de personeelsomvang van het openbaar bestuur plaats met name door in komende kabinetsperiode 75% van de vacatures die via natuurlijk verloop ontstaan, niet te laten herbezetten. Daarbij gaat het om de totale personeelsomvang: herschikkingen van personeel over afdelingen, directies en ministeries zijn uiteraard mogelijk.

De overheid moet zich voortdurend bewust zijn van de (administratieve) lasten die uit beleid en regelgeving voortvloeien. Het CDA streeft naar minder regeldruk en schaft daartoe overbodige regels af en vereenvoudigt complexe of tegenstrijdige regels.

Overheidssubsidies worden systematisch doorgelicht. Met name bedragen waarmee departementen sturen en beleid voeren, worden op hun nut en noodzaak getoetst. Subsidieregelingen kennen altijd een einddatum (horizonbepaling).

De overheid gaat bij wet- en regelgeving uit van vertrouwen in plaats van wantrouwen. Uitgangspunt wordt dat de burger, de ondernemer, de maatschappelijke instelling het goed doet. Pas wanneer bij controle mocht blijken dat regels zijn overtreden treedt de overheid op. Daarom én om de bureaucratie te verminderen, worden vergunningen zo mogelijk omgezet in algemene regels. Als vergunningen toch nodig zijn - bijvoorbeeld omdat controle vooraf strikt noodzakelijk is - vindt een bundeling plaats. Dat zorgt voor tijdswinst en minder omslachtige en minder procedures. Waar mogelijk (afhankelijk van de betrokken externe effecten en duidelijkheid van rechten en plichten van een vergunningverkrijger) wordt ingevoerd dat bij het overschrijden van de beslistermijn een vergunning verleend is ('silencio positivo'). Een kwalitatief goede publieke sector stelt zich betrouwbaar op en heeft een voorbeeldfunctie bij de uitvoering van haar beleid en wetgeving.

Het moet mogelijk worden gerichter te belonen in het openbaar bestuur en politie. Daarbij gaat het bijvoorbeeld om het belonen van mensen die extra presteren. Dat is ook nodig om knelpunten in de (regionale) arbeidsmarkt te voorkomen. De maximumbeloning wordt genormeerd.

In maatschappelijke sectoren, zoals onderwijs en zorg, moeten uitvoerende medewerkers weer meer centraal komen te staan. Zij dienen immers direct respectievelijk de leerling en de patiënt. Het CDA wil daarom management en bureaucratie in deze sectoren beperken.

6.3 Koninkrijkrelaties

Omwille van de burgers op de Nederlandse Antillen en Aruba krijgt verbetering van de sociaaleconomische structuur en van het onderwijs de hoogste prioriteit. Daarmee worden - wat betreft de overlast rond kansarme jongeren in Nederlandse steden - niet alleen de symptomen, maar ook de oorzaken bestreden. De positie van de Nederlandse taal in het onde rwijs op de Nederlandse Antillen en Aruba wordt bevorderd, in het bijzonder in het basisonderwijs.

De bestuurlijke herinrichting van de Antillen wordt op basis van het akkoord van november 2005 afgerond, met als ijkpunten: slechts één bestuurslaag per eiland en afdoende waarborgen - in samenwerking met Nederland - voor onderwijs, rechtspraak en rechtshandhaving. Sanering van de overheidsfinanciën moet hand in hand gaan met bestuurlijke garanties voor een solide financieel beleid in de toekomst. De drie kleinste eilanden krijgen in een directe associatie met Nederland een bestuursvorm op maat.

Voor de Nederlandse Antillen en Aruba moet de Europese Unie dezelfde waarborgen en economische faciliteiten beschikbaar stellen als voor de Franse Antillen en de Spaanse en Portugese gebieden overzee.